1945 – heden

 

 

Toen op 31 maart 1945 op de IJsselkade tien Zutphense verzetsstrijders door de Duitsers werden gefusilleerd, was de twintigjarige Willem Wittkampf, die in zijn eentje de Gelderse editie van Het Parool verzorgde en volschreef, zo fortuinlijk de dans te ontspringen. Eerder die maand hadden de Duitsers hem samen met zijn goede vriend Henk van Lier opgepakt. Maar terwijl Van Lier voor het vuurpeloton kwam, bleef Wittkampf buiten schot. Dat hij een levenslang trauma overhield aan de oorlog, daarvan getuigt een groot deel van zijn oeuvre. Willem Richard Jacobus Wittkampf, zoals hij voluit heette, werd op 13 augustus 1924 geboren op Nieuwstad 89 in een monumentaal pand tegenover de Grote Gracht. Zijn vader, telg uit het bekende Schiedamse jenevergeslacht, had in Zutphen een garagebedrijf en een orgelfirma op Nieuwstad 59-61 en Basseroord (toen nog Baggeroord) 11-13.

Wittkampfs literaire loopbaan begon in Amsterdam, bij Het Parool. Hij kwam er tegelijk aan met de één jaar oudere Gerard (Kornelis van het) Reve, en toen die in 1947 voor zijn roman De Avonden de Reina Prinsen Geerligsprijs kreeg, bedoeld voor debuterende schrijvers onder de vijfentwintig, voelde Wittkampf zich uitgedaagd en zou hij gezegd hebben: ‘Dat kan ik ook.’ Zo schreef hij de korte roman Het kanon (1949), waarmee hij inderdaad de prijs won.

Het kanon, prachtig geïllustreerd door Fiep Westendorp, de vaste illustratrice van Annie M.G. Schmid, die Wittkampfs collega was bij de krant, is onbetwist de geestigste oorlogs- of liever gezegd anti-verzetsroman uit de Nederlandse literatuur. Het vertelt het verhaal van een Gelders plaatsje dat in de nadagen van de oorlog wordt opgeschrikt door de komst van een moegestreden Duitser met een half-defect kanon. Of Zutphen model stond voor de plaats van handeling is niet met zekerheid te zeggen. In 1952 volgde opnieuw een oorlogsverhaal: de novelle De stunt. En daarmee is het hele literaire oeuvre van Willem Wittkampf – klein maar fijn – opgesomd. De rest van zijn oeuvre is journalistiek. Maar daar moet meteen bij worden gezegd dat dit onderscheid in zijn geval niet erg ter zake doet. De typische Wittkampf-stijl, laconiek en puntig, is in beide gevallen hetzelfde.

Vanaf 1957 maakte Wittkampf naam met paginagrote stukken die hij wekelijks in ‘PS’, het zaterdagbijvoegsel van Het Parool, publiceerde. Het waren ‘interviews in monoloogvorm’ waarin hij ‘gewone mensen’ aan het woord liet. Hij ondertekende ze alleen met zijn voornaam: Willem. Deze verhalen – hogelijk bewonderd door Simon Carmiggelt, Frits Abrahams en met name Ischa Meijer, die Wittkampf als zijn grote voorbeeld zag – verschenen later in bundels als Wat mijzelf betreft (1958) en Nader bericht ontbreekt (1963). Kees Fens: ‘Wittkampf heeft het traditionele interview uitgebouwd tot een geheel eigen genre, dat men gerust een literair genre kan noemen en dat ik voor mij hoger aansla dan veel dat als literatuur wordt opgedrongen.’

In 1972, na een conflict met de hoofdredacteur, brak Willem met de krant. En in één moeite door met zijn vrienden- en kennissenkring. Hij trok zich met een WAO-uitkering terug op zijn vrijgezellenetage aan de Ferdinand Bolstraat, waar hij de brievenbus dichtspijkerde en zich overgaf aan de drank. Ischa Meijer, die hem eens opzocht: ‘In een hoek van die woonkamer stond immer een krat wodka. Want W. Wittkampf dronk zich, elke nacht weer, de totale versuffing in.’ Maar hij deed meer dan alleen drinken: ieder avond schreef hij. Toen hij in 1990 verhuisde naar een benedenwoning gingen er twintig verhuisdozen mee, waar zijn productie van de voorbije jaren in zat: tachtigduizend foliovellen, volgeschreven in een vrijwel onleesbaar handschrift. Dit reusachtige manuscript, dat onder meer de ‘lachpil’ zou moeten bevatten waar hij sinds 1969 aan had gewerkt, wordt bewaard door het Literatuurmuseum in Den Haag. Wittkampf overleed op 10 oktober 1992 in Amsterdam. In 2000 verscheen zijn Verzameld werk.

 

 

Illustrator Jo (Joseph Eduard Adolf) Spier werd geboren als Nederlander (Zutphen, 26 juni 1900) en overleed als Amerikaan (Plandome, New York, 21 mei 1978). Zijn emigratie naar de Verenigde Staten – in 1957 kreeg hij het Amerikaans staatsburgerschap – was alleszins verklaarbaar door de bejegening die hem na de Tweede Wereldoorlog ten deel viel.

Na de Rijksacademie van Beeldende Kunsten en het Atelier Cormon in Parijs te hebben doorlopen, kwam Spier eind 1924 als tekenaar in dienst bij De Telegraaf.

Zijn cartoons, naar voorbeeld van Punch en The New Yorker, maakten hem al snel populair, zijn albums – Teekeningen (1933), Per potlood door Nederland (1934), Uit en thuis. Reisschetsen (1936) – werden grif verkocht en de kritiek prees hem de hemel in. Jan Greshoff, in De Groene Amsterdammer, vond Spiers werk ‘zoo geestig en zoo sierlijk, zoo vindingrijk en zoo verfijnd, als wij het in lang niet bezig zagen in ons godzalig Nederland’. En toen werd het oorlog.

Op last van de Duitsers ontslagen door De Telegraaf omdat hij een Jood was en tot driemaal toe gevangengezet, kwam Spier in 1942 met zijn gezin in Westerbork terecht. Mussert, een bewonderaar, redde Spier door hem begin 1943 samen met een selecte groep andere Joden onder te brengen in Villa Bouchina in Doetinchem. Deze groep ging de geschiedenis in als de ‘Mussertjoden’. Een paar maanden later werd Spier gedeporteerd naar Theresienstadt, Hitlers ‘modelkamp’ in Bohemen, waar veel Joodse kunstenaars en intellectuelen zaten. Op 7 mei 1945 werd dit ‘hongergetto’ door de Russen bevrijd. Terug in Nederland bezocht Spier de stad waar zijn vader een modezaak had gedreven en waar hij op het oude Stationsplein 11 (nu ongeveer hoek Molengracht-Berkelkade) was geboren:

 

We gingen kijken hoe het er in m’n geboortestad Zutphen uit zag. Zutphen had in de oorlog zwaar geleden. M’n geboortehuis was een hoop puin. Ik heb een halve baksteen mee genomen. Op de Joodse begraafplaats was een granaat ingeslagen. Precies op de graven van m’n moeder en m’n grootouders. We vonden alleen maar stukken en brokken van grafstenen en ik durfde niet goed te kijken. Je vindt niet graag de schedel van je moeder.

In de stad kwamen we Krukziener tegen. Hij was een man van mijn leeftijd en had een fabriek in Zutphen. Het bleek dat hij zijn vrouw en kinderen verloren had. Ook zijn ouders waren omgekomen. Toen Krukziener ons zag begon hij te huilen en ik probeerde hem te troosten in de wetenschap dat tegen zijn verdriet geen troostwoorden helpen. Maar Krukziener zei: ‘Je vergist je; ik huil omdat ik zo dankbaar ben dat ik nog een compleet Joods gezin terug mag zien.

Wanneer Krukziener de oorlog als enige Jood overleefd had zou Hitler de strijd tegen de Joden tóch nog verloren hebben.

Spier probeerde zijn werk weer op te pakken. Met hetzelfde gevoel voor humor als voorheen tekende hij nu zijn cartoons voor Elseviers Weekblad. Op beschuldigingen dat hij in Theresienstadt te gedienstig ten opzichte van de nazi’s was geweest – Spier had meegewerkt aan de promotiefilm die de beroemde regisseur Kurt Gerron, zelf een Jood en kampgevangene, in opdracht van de Duitsers van Theresienstadt had gemaakt –, ging hij niet in. Maar de kans om in 1951 naar Amerika te emigreren greep hij dankbaar aan. Hij vestigde zich op Long Island. Twee jaar later kwam zijn gezin over. Spier bleef voor Nederlandse tijdschriften en uitgevers werken – hij tekende bijvoorbeeld het omslag van Godfried Bomans’ Kopstukken – en had intussen ook in Amerika succes als reclametekenaar.

In de jaren zeventig volgden zijn laatste albums: Zwanezang (1973), Bij ’t scheiden van de markt (1975) en Op de valreep (1976). In 1975 schonk hij zijn tekenarchief aan het Stedelijk Museum van Zutphen. Maar een afscheid was het (nog) niet, want vlak voor zijn dood greep hij opnieuw naar de pen, om zijn oorlogsherinneringen op te schrijven: Dat alles heeft mijn oog gezien; Herinneringen aan het concentratiekamp Theresienstadt (1978). De hierboven aangehaalde tekst over zijn bezoek aan Zutphen, in 1945, is een van de zeventig zeer korte verhalen waaruit het boekje bestaat. Om een indruk te geven van Spiers gevoel voor humor volgt hier nog een van zijn zkv’s.

 

Haat

Er waren in Theresienstadt twee oude schilderessen die elkaar het licht in de ogen niet gunden, Lotte Blumenstein en Stella Frankforter. Ze hebben de oorlog overleefd. Ze schilderden allebei bloemetjes en het was moeilijk om het verschil te zien tussen een echte ‘Blumenstein’ en een echte ‘Frankforter’.

Na de oorlog kwam Stella Frankforter bij een zoon in Londen terecht.

Lotte Bluemenstein had geen geluk! Ze was Duitse, kon niet naar Duitsland terug, woonde een tijdje op een zolder in Praag en kwam vervolgens terecht in een kamp voor ‘displaced persons’ in Italie. In het kamp kreeg ze last met haar ogen, werd blind en emigreerde naar Palestina waar haar dochter woonde. In Israel kreeg ze de nodige medische zorg en na een paar operaties kwam haar gezichtsvermogen grotendeels terug.

Een van de brieven die ze me uit Jeruzalem schreef bevatte de volgende mededeling: ‘Ich bin jetzt in Israel und habe das Augenlicht zuruck bekommen. Ich wunsche aber ofters wieder blind zu sein weil in dem Haus worin wir leben ein Gemalde von Stella Frankforter herumhängt.

De gemeente Zutphen heeft in de wijk Leesten een laan naar Jo Spier genoemd.

 

 

Aryeh Hazon, geboren in 1925 aan de Martinetsingel 17 in Zutphen als Leo Alexander Krukziener, publiceerde op zijn 90ste zijn autobiografie getiteld Licht en schaduw. Herinneringen aan mijn jeugd en onderduik in Zutphen (2015). Hazon vertelt onder meer over het familiebedrijf, Pettenfabriek Krukziener, in de Dieserstraat en over de redding van zijn familie tijdens de Holocaust. Samen met negen anderen, leden van de families Krukziener en Noach, werd hij twee jaar en acht maanden verborgen gehouden door de familie Van der Vegte in het pand aan de Oudewand 94. Een gevelsteen die dit memoreert, draagt de volgende versregels van Chris Schriks:

 

Wie dood en cel riskeert

Een duivels rijk trotseert

Omwille van een mens

Daar is rechtschapenheid

Regeert rechtvaardigheid

Daar kiemt de vrede

 

In 1946 emigreerde Aryeh Hazon naar wat toen nog het Engelse Mandaat van Palestina was en later Israël werd.

 

 

Wim Noordhoek werd op 7 november 1943 geboren in Steenwijk maar bracht zijn eerste zes levensjaren door in Zutphen, ‘toen het nog Zutfen heette’. Als peuter zat hij op schoot bij J.C. Bloem, overbuurman aan de Deventerweg: ‘De bevrijding maakten mijn moeder en hij beiden mee in Zutphen, aan weerszijden van de Deventerweg. Allebei in een half verwoest huis. (…) Net als mijn ouders en ik overnachtte ook de familie Bloem met hun zoontje – dat ook Wim heette – in de kelder. (…) Na de bevrijding ging mijn moeder weleens bij ze langs en nam mij mee. Ze wist te vertellen dat ik als driejarige op de knie mocht zitten van de vriendelijke man die bij de griffie werkte.’ Noordhoek denkt er met plezier aan terug: ‘Ik groeide op tussen de puin­hopen van het gebombar­deerde Zutphen. Spannender speelterrein is er niet voor een kind.’ Het nieuwe adres was Heeckerenlaan 49. Wim zat op de Jan Ligthartschool.

Noordhoek werkte voor televisie en radio (De Avonden) en schreef jarenlang onder de naam Alex Mol een column in de VPRO-gids. Ook was hij redacteur van Hitweek en van studentenblad Propria Cures. Hij schreef de novelle Beromünster (1972), de verhalenbundel Natte cel (1979) en de roman Pool (1997), waarin Zutphen ‘de kleine stad aan de rivier’ heet. Sinds 2006 publiceert hij zijn Avondlog, waarin hij veelvuldig over Zutphen schreef.

Op 21 december 2013 noteerde hij:

 

In Zutphen, mijn tantestad bij uitstek, logeerde ik met kerst bij tante Karin, die onder de Drogenapstoren haar leven improviseerde in een groen fluwelen jurk. Ik was twaalf en sliep er op een grote lege zolder met als kruik een verhitte, geglazuurde steen. Tegen etenstijd keken we in de ijs- en provisiekast wat er was en besloten dat bami met cervelaatworst en een blikje soepgroente voldoende waren voor een kerstmaal. We vonden nog een potje zure augurken ook. Tante Karin zong voortdurend.

De volgende ochtend bleken er nog boterhammen te zijn. Pietsje beschimmeld, maar dat snee je er af. Koffie was er. Nu nog kopjes. Die stonden overal in de kamer.

“Welk kopje had jij gisteren.”

Makkelijk, dat met lipstick was het hare. Ze leerde me tekenen. Ze tekende mij. Op kasten stonden overal opengeslagen fotoboeken tegen de muur. ’s Middags vervolgden we ons kerstproject: met rollers de deuren knalrood schilderen. Maar tegen mijn druipers bleek niet op te rollen. Daar moest tante Karin vreselijk om lachen.

En op 14 maart 2015:

 

Kermis

Een stralende zomerse zondag in Zutphen. Bertjes ouders waren uit, zodat we alleen in de tuin en het aanliggend souterrain van zijn ouderlijk huis speelden. We verveelden ons zoals jongens van vijf zich vervelen. Totdat Bertje een idee kreeg: we maken een kermis.

Dat kwam, we waren de dag tevoren met zijn vader naar de Zutphense kermis geweest en hadden onze ogen uitgekeken. Er stond in dat souterrain van alles, kratten, kis­ten, flessen, Bertjes vader was drankhandelaar. Nu begonnen we in de tuin attracties op te bouwen. Met de tennisballen van zijn vader moest het publiek torens van flessen omvergooien. Zaklopen was makkelijk, zakken geno­eg. En natuurlijk zouden we limonade verkopen.

De kermis was klaar, de mensen konden komen. Maar hoe moesten we ze waarschuwen dat de kermis begonnen was? In het souterrain vonden we een grote koperen bel. Die hingen we buiten aan de waslijn en daarmee begonnen we de kermisbel te luiden. Hij weerklonk door heel het stille huizenblok. Maar wat we ook belden, geen publiek.

“Gewoon doorbellen,” zei Bertje, “dan komen ze wel.”

Na een hele tijd keek een meneer over de schutting en tenslotte kwam de buurvrouw vragen wat er aan de hand was. “Het is voor de kermis,” zei Bertje.

Toen we een eeuwigheid onze kermisbel hadden geluid kwam Bertjes moeder met een rood hoofd aangerend. Wat we ook zeiden, het was haar niet uit te leggen. Bertje werd met een draai om zijn oren naar bed gestuurd en ik naar huis.

Dit verhaal kwam bij me boven door het fotoboek Van de reis over “de kermis, het circus en de mensen” van Jac Weerts, met verhalen van oa. Arnon Grunberg. Wat kermis kon zijn leerde ik later in De Haag, waar een man in pantervel met ontbloot bovenlijf voor zijn tent aankondigde: “Het wonder van Dendermonde, het meisje zonder hoofd.”

Ik heb dat meisje gezien.

 

 

Weinig schrijvers hebben zo sterk hun stempel gedrukt op de naoorlogse humoristische literatuur als A. Duif. Maar als u nooit van hem hebt gehoord, hoeft u zich daar geen verwijt over te maken, want de vergetelheid heeft in het geval van A. Duif zo toegeslagen, dat je hem in literaire naslagwerken tevergeefs zult zoeken.

Bram (voluit Abraham) Duif werd op 31 oktober 1914 in Arnhem geboren als tweede zoon van Hermanus Duif (Wageningen 1883 – Arnhem 1962), hoofdambtenaar van de Algemene Nederlandse Zuivelbond en oud-machinist bij de marine, en Maria Gelok (Leiden 1887 – Zutphen 1971). Hij speelde bas in een jazzband, voetbalde bij Vitesse, volgde een opleiding voor gymnastiekleraar in Utrecht en een studie rechten in Leuven. En toen werd het oorlog. Duif, inmiddels getrouwd, kwam september 1944, toen Arnhem werd geëvacueerd, via Naarden in Den Haag terecht. Hij werd korte tijd ambtenaar, maar al snel gaf richtte hij zich volledig op het schrijven.

Duif werd redacteur van Mandril, het satirische ‘maandblad voor mensen’ dat als Nederlandse imitatie van The New Yorker van oktober 1948 tot januari 1953 verscheen. Het blad heeft in de loop der jaren een legendarische klank gekregen, wat alles te maken zal hebben met de namen van de medewerkers die eraan verbonden waren. De redactie bestond verder uit Eduard Elias, Henri Knap, Charles Boost, Hugh Jans, Frits van der Molen. Tekstbijdragen waren er van onder meer Hans Andreus, Gerard den Brabander, Remco Campert, Simon Carmiggelt, Jacques Gans, Marga Minco, Adriaan Morriën, Harry Mulisch, Gerard Kornelis van het Reve, Annie M.G. Schmidt. De tekeningen werden verzorgd door onder meer Jeanne Bieruma Oosting, Paul Citroen, Lucebert, Melle Oldeboerrigter, Opland, Fiep Westendorp. A. Duif was niet alleen redacteur, hij droeg ook zelf verhalen bij, onder de doorzichtige schuilnaam A. Roekoe. In die verhalen dist een ik-figuur droog maar met veel smaak geschiedenissen op waarin situaties volledig uit de hand lopen. Het is de getapte, journalistiek-cabareteske parlando-stijl van Amerikaanse humoristen als Damon Runyon, Ring Lardner, Robert Benchley, die na de jaren vijftig een zachte dood stierf, maar waarvan je je nog steeds wel kunt voorstellen dat men er toen tranen om heeft gelachen.

Aan A. Duif valt de eer te beurt de ontdekker te zijn geweest van de dichter John O’Mill, in het dagelijks leven Jan van der Meulen, leraar Engels te Breda, door Hugo Brandt Corstius ‘’s werelds Angloöpperlandicus no. 1’ genoemd. O’Mill grossierde in nonsensverzen in de trant van: ‘Een autobestuurder uit Bombay / Was iemand, die alles zo domday / Dat al het verkeer / Bij ’t zien van dat heer / Maar liefst over Eindhoven omray.’ In zijn voorwoord bij Duifs bundel Met vallen en opstaan memoreert O’Mill hoe Duif ervoor gezorgd had dat zijn eerste ‘double-Dutch-vers’, ‘The Song of the Arses’, werd opgenomen in Mandril.

Het einde van Mandril was het begin van MalleNmolen, ‘periodieke verzameling’ – in pocketvorm – ‘van hedendaagse humor’, dat A. Duif vanaf 1953 als eenmanstijdschrift bestierde. Tot ook dat na veertien afleveringen in vijf jaar ter ziele ging. In het slotnummer schreef Duif: ‘De kolder heeft een kort leven gehad. Ware humor is geënt op de werkelijkheid, op het ware leven. Kolder evenwel richt zich uitsluitend op buitenwerkelijke, vaak bijkans surrealistische gegevens.’ Onder de medewerkers van MalleNmolen vinden we Marten Toonder, Jacques Gans, Jacques den Haan, Eduard Elias, Daan Zonderland, Wim Boost, Frits Müller, Eric van der Steen, John O’Mill, Jan Blokker, Yrrah, Kees Stip, Michel van der Plas, Dorothy Parker, Ogden Nash, Jules Feiffer, en niet te vergeten A. Roekoe.

A. Roekoes verhalen werden gebundeld in: Klein Vaderlands jaartallenboek (1951, herdrukt als Haha lachte de Graaf); Met vallen en opstaan. Een verzameling slapstickiana (1957), Puffen en uitblazen (1958). Verder schreef hij De wonderbare avonturen van Maroef de schoenmaker (1954, onder de schuilnaam Ibn Ibrahim) en de in zeven talen uitgegeven zogeheten ‘Teddyboekjes’ De fles van Pluisman, Kind Beer is stout geweest, De koningshoed, De olifantjes gaan uit, Het schip van Klein-Jan, De tien Chineesjes (alle 1954), De domme meneer Scotty, Reintje Pippeling en De tuin van Ieneke (alle 1955).

Van 1962 tot 1976 was Duif hoofdredacteur van Elegance, Nederlands oudste ‘glossy’. Op zijn tweeënzestigste stopte hij met werken. Midden jaren tachtig verhuisden Duif en zijn vrouw naar Zutphen, waar ze eerst aan de Komsteeg 3 woonden, een mooi herenhuis in het oude centrum, en daarna aan de IJsselkade. Bij de Bult van Ketjen betrokken ze een van de nieuwe appartementen die daar toen gebouwd werden. Zo hadden ze elke dag een prachtig uitzicht over de rivier en de uiterwaarden. Duif overleed in Zutphen op 14 november 1993.

 

 

Aan de dichter-graficus Scipio Hamming, die in oktober 2000 drie artikelen over hem schreef in de Zutphense Koerier, is de herontdekking van de Brits-Joodse criticus, bloemlezer, biograaf, essayist, vertaler en dichter Joseph Leftwich te danken. Herontdekking voor Nederland, wel te verstaan. Want in de Angelsaksische literaire wereld is Leftwich allerminst een onbekende. Bijzonder is dat hij op 20 september 1892 werd geboren in Zutphen. Zijn geboortehuis, in de Apenstert B168, bestaat niet meer. Apenstert was de naam van het voormalige verbindingsstraatje tussen de Rozengracht en de Kreijnckstraat, aan de rand van de Barlheze. Zijn vader, Leopold Lewkowitz, schoenmaker van beroep, en moeder, Johanna Bachara, waren als vluchtelingen uit Oost-Polen, toen behorend bij Rusland, in februari 1892 in Zutphen aangekomen. Ze zouden er vijf jaar blijven. Toen verhuisde het gezin naar Engeland. Het vestigde zich in het Oost-Londense Whitechapel, de wijk die in de jaren 1910-’14 de naam gaf aan een groep jonge Joodse schrijvers en kunstenaars, de ‘Whitechapel Boys’, waartoe behalve Joseph Leftwich onder meer Mark Gertler, Isaac Rosenberg, David Bomberg, Stephen Winsten en, als enige vrouwelijke lid, Clara Birnberg, behoorden. Laatstgenoemde schilderde Leftwich’ portret (zie afbeelding).

Joseph Leftwich werd een centrale figuur in het Joodse leven en een autoriteit op het gebied van de Joodse en Jiddische literatuur. Hij werd hoofd van de Londense afdeling van de Jewish Telegraphic Agency, vertaalde werk van bekende Joodse auteurs als Sholem Asch, Max Brod, I.L. Peretz en Stefan Zweig, waarschuwde tegen het opkomend nationaal-socialisme met zijn essay What Will Happen to the Jews? (1936), stelde monumentale anthologieën samen van verhalen door Joodse schrijvers: Yisröel (1933); dichters: The Golden Peacock (1939); en essayisten: The Way We Think (1969), alles door hemzelf vertaald, en schreef de biografie van de bekende Joodse schrijver Israel Zangwill. Na de Tweede Wereldoorlog was hij directeur van de British Federation of Jewish Relief Organizations. In 1946 publiceerde hij een verzameling Liederen en Gedichten uit de Dodenkampen. Zijn eigen poëzie kreeg een plek in de bundels Along the Years. Poems 1911-1937 (1937), Years Following After. Poems (1959) en het postume Years at the Ending. Poems 1892-1982 (1984).

Twee maal keerde Joseph Leftwich terug voor een bezoek aan zijn geboortestad. De eerste keer als jongeman van twintig, in 1912. Hij schrijft dan:

 

Geboorte is mijn grootste beleving,

toch zonder herinnering.

Noch herken ik deze plek

hoewel ik er geboren ben.

De vrouw hier naast me weet nog

hoe zij me ontving in haar handen

toen ik kwam uit de schoot.

Ik was een kind nog toen mijn ouders

mij meenamen van hier.

Twintig jaren zag ik Zutphen

niet, – tot deze dag.

Op school in Engeland

las ik met trots

hoe Sir Philip Sidney hier

in mijn Zutphen stierf.

 

‘De vrouw hier naast me’ lijkt er op te wijzen dat hij Zutphen toen samen met zijn moeder bezocht.

De tweede keer kwam hij alleen. De opdracht die hij voor in het boek schreef dat hij bij die gelegenheid schonk aan het Zutphense archief, luidt: ‘Voor mijn geboortestad Zutphen, wier straten ik betrad tijdens een eenzame expeditie in 1954.’ Dit bezoek vond zijn weerslag in het gedicht:

 

Zutphen

 

De wind over de IJssel

verwaait mijn haar.

Ik loop in mijn geboortestad,

en staar om mij heen.

 

Hier was mijn eerste ademtocht.

Hier werd ik een jood,

hier werd ik besneden ooit, – hier was

mijn dauw, mijn ochtendrood.

 

Mijn moeder schommelde mijn wieg

in een van deze straten.

Hier is de harteklop ontstaan

van mijn bestaan.

 

Dat ik ooit Zutphen wilde zien,

riep ik al mijn jaren.

Nu loop ik langs de IJssel,

bleek, met verwarde haren.

4 juli ’54

 

Joseph Leftwich overleed in Londen op 4 maart 1983.

 

 

Carl Slotboom, geboren op 17 januari 1949 in Zutphen en opgegroeid aan de IJsselkade/hoek Berkelkade, vertrok in 1972 als jonge operazanger naar Duitsland om daar een glanzende carrière in de muziek te maken. Hij zong als operettetenor aan het Stadttheater van Sankt Pölten in Oostenrijk en studeerde tegelijkertijd aan het conservatorium van Wenen. Na zijn eindexamen in 1978 zong hij een aantal maanden bij de Hoofdstad Operette in Amsterdam en van 1979 tot 1984 zong hij als eerste tenor in het koor van de Nederlandse Opera, waarna gezondheidsredenen hem dwongen met zingen te stoppen.

Sinds 1994 schreef Slotboom tientallen toneelstukken die behalve in Nederland, waar hij een van de meest gespeelde auteurs is, ook in Engeland, Duitsland, België, Zwitserland, Oostenrijk, Amerika en Canada voor het voetlicht worden gebracht, en een deel tevens in het Fries en in het Gronings. Slotboom schrijft eenakters, tweeakters en avondvullende stukken waarmee hij voornamelijk het amateurtoneel bedient. Enkele titels: Wie het onderste uit de kan wil, Hemel op stelten, Doktertje spelen, Een moordweekend, Waarom kan ik niet zeggen wat ik voel, Bloemen voor een blinde, Enkele reis Noordpool, Innerlijke chaos, Kip met friet. (Voor een volledig overzicht van zijn imposante oeuvre, zie www.carlslotboom.nl.)

In 2009 maakte hij zijn romandebuut met De man die zich mijn vader noemde, die genomineerd werd voor de AKO Nieuwe Schrijversprijs. In 2017 volgde de roman Leven begint elke dag opnieuw.

Slotboom bezoekt Zutphen nog geregeld: ‘Hoewel ik sinds 1972 niet meer in Zutphen woon, kom ik er zeer regelmatig; familiebezoek, een paar weken met onze caravan op een camping in Eefde, heerlijk doelloos fietsen door Zutphen.’

 

 

Alles voor de literatuur! Nadat Boudewijn van Houten samen met zijn toenmalige kompaan Theo Kars als gesjeesde studenten de PTT hadden opgelicht voor een ton, staken ze het geld in… een literair tijdschrift. Tegenstroom heette het. Het bestond maar een jaar (1964-1965), maar het was wel de start van hun beider schrijverschap. Kars werd de schrijver van inmiddels alweer vergeten romans en maakte een allerwegen bejubelde vertaling van de memoires van Casanova. Van Houten bracht een reeks geruchtmakende boeken op zijn naam, zoals Onze hoogmoed; Roman in de eerste persoon (1970), over de PTT-affaire, die hem vijftien maanden celstraf bezorgde, Zoveel lol; Een jaar in het studentencorps (1971, tien jaar later herdrukt als De ontgroening), Erotisch dagboek; Keuze uit de jaren 1970-1980 (1981) en Fout; Lebensbericht meines Vaters (1987). In dit laatste boek vertelt Van Houten over zijn kinderjaren in een fout gezin: zijn NSB-vader was directeur van de Nederlandse Nationaal-Socialistische Uitgeverij (Nenasu) en van de SS-uitgeverij Hamer en voerde tijdens de Tweede Wereldoorlog als ‘Verwalter’ het beheer over een groot aantal Nederlandse uitgeverijen; na de oorlog werd hij veroordeeld tot enkele jaren werkkamp. Van Houten, die op 10 mei 1939 werd geboren in Den Haag, nam al vroeg afstand van zijn ouders en verliet het ouderlijk huis op jonge leeftijd. Van 1951 tot 1957 bezocht hij het gymnasium in Zutphen.

In een interview met HP/De Tijd vertelde Van Houten: ‘Ik had mij erg ruw losgemaakt van mijn ouders, die hele sfeer bij mij thuis, daar kon ik niet meer tegen. Mijn ouders hebben mij op een gegeven moment in huis gestopt bij een rechter in Zutphen, een homo in het verborgene trouwens. Die man heeft een vreselijk zielig leven gehad. Zijn enige troost was dat hij in de roeivereniging zat en dat-ie dan die jongetjes leerde roeien. Die zaten dan in korte broekjes tegenover hem, dat moet wat geweest zijn, het is om te huilen. Deze man was een groot bewonderaar van Bordewijk en Couperus. Hij had ook twee Afghaanse windhonden, die moesten heel veel worden uitgelaten, drie keer per dag een grote wandeling van drie kwartier, een uur, en dan wandelde ik met hem mee, en dan sprak hij over zijn hobby’s, over literatuur en architectuur. Dat is het begin geweest. Toen stond voor mij wel vast dat die literaire wereld het was. Ik weet zelfs nog door welk boek: Antiek tourisme van Couperus. Ik dacht: “Hé, hier wordt gesproken over gevoelens die in het dagelijks leven niet aan de orde komen, waar je niet over kunt praten. Literatuur is dus een manier om de dingen te kunnen uiten, en er kennis van te nemen bij anderen.”’

 

 

Betsy Udink werkte als correspondent voor NRC Handelsblad, de Volkskrant, Het Parool, Vrij Nederland en Trouw in Caïro, New York, Damascus, Beiroet en Brussel. Als schrijfster van literaire non-fictie debuterde zij in 1990 met Achter Mekka, waarin zij haar ervaringen als diplomatenvrouw in het fundamentalistische Saoedi-Arabië beschrijft. In 1996 maakte ze haar romandebuut met De primeur van Caro Darmont. Andere titels van haar hand zijn Klein leed (2001), Allah & Eva (2006), In Koerdische kringen (2010), Meisjes van Atatürk, zonen van de Sultan (2015). Udink werd in 1951 geboren in Eefde.

In Eefde, kroniek van een verknipt dorp (2015) schrijft zij:

 

Ik ben geboren in het huis aan de Zutphenseweg 166 waar ook mijn moeder – Hermien Hulskamp – is geboren, zij in 1920, ik in 1951. Het huis bestaat niet meer. Mijn vader, Wim Udink, had er een smederij, mijn moeder een winkel in huishoudelijke artikelen. Denkend aan eefde zie ik het volgende voor me. Ik speelde met mijn zusje Ria en onze poppen op het warme tussenstuk van de schoorsteen van de melkfabriek, speelde met Bertie in het IJsselzand op de opslagplaats van Nijenhuis, verstop me tijdens het middagetenonder het bureau van oom Nijenhuis (de aannemer en buurman) en krijg de gierende slappe lach als Bennie en Jo me er onderuit trekken. Bij de andere buren, de meesterbotermaker De Groot, wordt bij de maaltijden uit de bijbel voorgelezen.

De eerste keer weg van mijn vader en moeder: met tante Nijenhuis de eendjes voeren in het park in Zutphen – dat is mijn vroegste herinnering aan gelukzaligheid. […] Mijn vader maakt wielen voor paardenkarren. Ik zie mijn vader op de fiets springen achter een op hol geslagen paard van de melkboer aan. Ik ruik nog de jodiumgeur van brandende ijzers die mijn vader op de paardenhoeven paste. Mijn moeder verkoopt spijkers per pond en klompen in twee soorten: peppels en wilgen. Vanuit het gevoel dat ik al groot ben: alleen op mijn zwarte fietsje met klossen op de trappers langs de Zutphenseweg naar de kleuterschool onderaan de dijk van het Twentekanaal. En alleen in de bus naar de bibliotheek in Zutphen. Voor de eerste keer aangedaan door literatuur: Remy in Alleen op de wereld tot zijn kin in het water in de mijn. Snikkend over het onrecht de wees aangedaan; mijn moeder die mij troost. […]

De winterdagen achter de hoge ramen van de Koningin Wilhelmina School: de zon en de hitte van de kolenkachels maken slaperig. Eerste letters leren schrijven met een griffel op een lei, daarna kroontjespennen en inkt. In de vierde klas leente de onderwijzeres, mevrouw Boeles, me De reis van Niels Holgersson. Meester Stenfert is mijn favoriete meester: geschiedenisles van hem is meeslepend. Meisjes heten Hennie, Gerrie, Riekie, Tinie, Minie, Dinie, Jannie, Corrie, Annie, Dikkie. Ik heet Beppie. Familie heeft voorrang noven vrienden die geen vrienden heten maar kennissen. ‘Ons soort mensen’ gaat naar de (m)ulo. De zalige kindertijd is voorbij. Ik word koppig, weerspannig, ben niet aardig voor mijn vader en moeder; vervuld van een romantische toekomst als journalist en reiziger. De weg ernaartie verloopt via het Baudartius Lyceum.

 

 

Op 22 maart 1953 overleed in Zutphen Maren Koster. De op 10 december 1872 in Amsterdam geboren schrijfster wier echte naam Maria Johanna Jongkees is, schreef ‘goede jeugdlectuur en kinderboekjes’ die volgens het katholieke Lectuur-Repertorium slechts dit bezwaar aankleeft dat ze ‘voortdurend neutraal’ zijn. Enkele van de circa veertig titels: Freule Kameleon (1920), Het huisje van Tom-Tim (1927), Bob bij de Hamertjes (1937), Dorien lacht de zorgen weg (1940) en Lies lacht de zorgen weg (1948).

 

 

Douwe Draaisma, bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van de psychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen, is gespecialiseerd is in de aard en mechanismen van het menselijk geheugen en schreef daar een aantal zeer succesvolle boeken over. Te noemen zijn: De metaforenmachine; een geschiedenis van het geheugen (1995), De heimweefabriek; geheugen, tijd & ouderdom (2008), Vergeetboek; wat we over vergeten moeten weten (2010), Als mijn geheugen me niet bedriegt (2016). Voor Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt (2001), zijn bekendste boek, werd hij onderscheiden met de Jan Greshoffprijs en de Jan Hanlo Essayprijs. Het boek werd vertaald in het Engels (Why Life Speeds Up As You Get Older), het Frans (Pourquoi la vie passe plus vite à mesure qu’on vieillit) en het Duits (Warum das Leben schneller vergeht, wenn man älter wird: von den Rätseln unserer Erinnerung).

Draaisma werd in 1953 geboren in Nijverdal, maar bracht de eerste tien jaar van zijn leven door in Zutphen.

 

 

Paul (Thomas Basilius) Rodenko, op 26 november 1920 geboren in Den Haag als zoon van een Witrussische vader en een Engels-Nederlandse moeder, woonde in zijn jeugd in Den Haag, Berlijn en Riga. De schrijfster Olga Rodenko is een zus van hem. Hij studeerde Slavische talen in Leiden, psychologie in Utrecht en Leiden en na de oorlog psychologie en vergelijkende letterkunde en in Parijs. Rodenko was dichter, criticus, essayist en vertaler. Hij wordt gezien als de theoreticus van de Vijftigers. Door zijn indrukwekkende kennis van de Europese poëzie wist hij de vernieuwingen in de Nederlandse poëzie in een een internationaal kader te plaatsen en een klimaat te creëren waarin de Vijftigers – de generatie dichters van Gerrit Kouwenaar, Remco Campert, Hans Lodeizen, Simon Vinkenoog, Lucebert – werden geaccepteerd. Bekende essaybundels van zijn hand zijn Tussen de regels. Wandelen en spoorzoeken in de moderne poëzie (1956) en De sprong van Münchhausen (1959). Als aanjager en pleitbezorger van de Nederlandse experimentele poëzie en leverde hij ook baanbrekend werk met bloemlezingen als Nieuwe griffels schone leien, de poëzie der avant-garde (1954) en Gedoemde dichters. Les poètes maudits. Van Gérard de Nerval tot en met Antonin Artaud (1957). Ook was Rodenko, die vanaf 1969 vast jurylid voor de Martinus Nijhoffprijs voor literaire vertalingen was, een eminent vertaler van gedichten, romans en toneelstukken uit het Russisch, Pools, Duits, Engels, Frans, Italiaans en Spaans.

Rodenko woonde vanaf 1957 in Warnsveld, aan de Anjerlaan 16. In 1960 verhuisde hij naar de Rozenhoflaan 16 in Zutphen, waar een groot deel van zijn werk tot stand kwam. Rodenko overleed hij op 9 juni 1976. Hij werd begraven op de Oosterbegraafplaats aan de Voorsterallee (graf 1106). Een jaar voor zijn dood werden zijn verzamelde gedichten uitgegeven onder de titel Orensnijder tulpensnijder (1975). Bij het grote publiek werd Rodenko vooral bekend om de bloemlezing  Nieuwe griffels schone leien – deel 8 uit de ‘Ooievaarreeks’ – waarvan meer dan 100.000 exemplaren werden verkocht, en zijn verzamelingen scabreuze vertellingen, zoals de vijf bundelingen met ‘vrijmoedige liefdesverhalen uit 1001-Nacht’ (1955-1959), die op aandrang van de hoofdinspecteur van politie in Den Bosch uit de spoorwegkiosken werden geweerd, De opblaasvrouwtjes en andere stoute stories van nu en straks (1970) en de drie delen Vrijmoedige liefdesverhalen (1976-1978). In 1978 en 2000 werden in Zutphen tentoonstellingen aan Rodenko gewijd. In de wijk Leesten is een laan naar hem vernoemd.

 

 

Olga Rodenko (Den Haag, 22 februari 1924), zus van Paul Rodenko, schreef korte verhalen die zij bundelde in Teken eens een mens (1978), Antichambreren (1979) en Cake-walk en andere verhalen (1984). In 1986 publiceerde zij de roman Oversteken. Zij woonde aan de Rozenhoflaan 16, later aan de Prins Bernhardlaan 64A en de Deventerweg 119. Als psychologe werkte zij decennialang in de justitiële jeugdinrichting Rentray in Eefde, dat de bron vormt voor veel van de verhalen in Teken eens een mens en Cake-walk en andere verhalen.

Naar aanleiding van Antichambreren schreef Hans van Straten in het Utrechts Nieuwsblad: ‘Haar tweede boek, Antichambreren, verschijnt precies dertig jaar te laat. Als het in 1950 was uitgekomen, zou het nu tot de kleine klassieken uit de Nederlandse literatuur van de twintigste eeuw behoren. Het is een merkwaardige zaak dat haar literaire loopbaan eigenlijk pas is begonnen nadat die van broer Paul werd afgebroken.’

In 2004 zocht Joris van Casteren de toen tachtigjarige schrijfster op in Zutphen: ‘Ergens in haar Zutphense woning, die ze deelt met een drieënnegentigjarige bedlegerige hoofdbewoonster die in ruil voor de schappelijk huurprijs van de luxueuze accommodatie nogal wat aanspraak verlangt, heeft Olga Rodenko nog twee manuscripten liggen die ze na Oversteken tevergeefs bij Meulenhoff aanbood. Het ene zou Sneeuw en kaviaar gaan heten, de titel van het andere manuscript is ze vergeten. […] Hoewel ze de manuscripten graag zou publiceren, denkt ze niet dat het daar ooit nog van komt: “Daar is het echt een beetje te laat voor.”‘

 

 

Gerard B. Berends werd op 23 mei 1946 geboren in Voorst en bracht zijn middelbareschooltijd in Zutphen door, op het Stedelijk Lyceum. Hij debuteerde in 1982 als tekenaar met de uitgave Landinwaarts. Tekeningen en maakte twee jaar later zijn dichtersdebuut met de bundel Een landschap zwijgen. Daarna volgden een roman, Twee mouwen (1996), een novelle, Uit het zicht (1997), en opnieuw een dichtbundel, Een olifant op het strand (2007). Voor kinderen schreef hij de poëziebundels Het sloeg twaalf uur (1990), Waaien, hard waaien (1990), Het begin is anders (2002), Altijd zoek (2002) en de verhalenbundel Zokken met de Z van Zondag, Verhalen van de koning en de koningin (2004). Berends was leraar Nederlands in Emmen. Hij publiceerde in tijdschriften als De Tweede Ronde, Het Nieuw Wereldtijdschrift, Optima en De Poëziekrant en is met het maximale aantal van 10 gedichten vertegenwoordigd in Gerrit Komrij’s De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten. Gevraagd naar zijn band met Zutphen antwoordde hij: ‘…in de schoolvakanties werkte ik bij bedrijven in Zutphen. Bovendien heb ik ooit nog eens schilderijen en tekeningen geëxposeerd in het Stedelijk Museum aan de Rozengracht. Af en toe kom ik nog in Zutphen voor een blik over de IJssel, een rondje in de binnenstad, een expositie in Henriette Polak.’ In 2015 verscheen de dichtbundel Een hoofd vol zee.

 

 

Ida Gerhardt, geboren in Gorinchem op 11 mei 1905, woonde sinds voorjaar 1967 met haar vriendin Marie van der Zeyde aan de Zutphenseweg 120 in Eefde. Zij was op dat moment al een vooraanstaand dichteres met negen bundels op haar naam: Kosmos (1940), Het veerhuis (1945), Buiten schot (1947), Kwatrijnen in opdracht (1949), Sonnetten van een leraar (1951), Het levend monogram (1955), De argelozen (1956), De hovenier (1961), De slechtvalk (1966). Maar haar doorbraak kwam pas met de bundel Het sterreschip, uit 1979, die nog werd voorafgegaan door De ravenveer (1970), Twee uur: de klokken antwoordden elkaar (1971) en Vijf vuurstenen (1974). Dat zij zo lang moest wachten op een wat grotere naamsbekendheid wijst zowel op de amodieusheid van haar poëzie als op de onverstoorbaarheid waarmee ze haar eigen gang ging.

Vanaf Het sterreschip dateert Gerhardts vriendschap met boekhandelaar Ad ten Bosch, die het verhaal van deze vriendschap beschreef in Gebroken lied (2000). Aan het feit dat hun vriendschap begon met een knallende aanvaring dankt Zutphen Gerhardts beroemde en veel geciteerde dichtwerk Dolen en dromen (1980). (Wie wil weten hoe dit zijn beslag kreeg leze Ten Bosch’ boek.) In dit lange gedicht beschrijft Gerhardt een mystieke ervaring die zij had nadat zij op een avond in de refterzaal van het Stedelijk Museum de uitvoering van een blaaskwintet heeft bijgewoond en daar een jongen van een jaar of 10, 11, zag die ze al vaker had gezien:

Ik kom hem telkenmaal in Zutphen tegen,

een kind dat stil zijn weg gaat door de stad,

nadenkelijk van hoofd en ogen.

De volgende ochtend gaat ze op zoek en zo voert zij de lezer mee door Zutphen: van de Kloostertuin via Turfstraat, Korte Beukerstraat, Frankensteeg naar de Zaadmarkt. Door het tumult van een langs stormende horde scholieren vlucht ze het Henriëtte Polakmuseum in. Daar, in de achterzaal, ziet ze de jongen weer:

Mijn vader, zegt hij, is een architect.

Dat dacht ik wel, zeg ik.

Waarna ze het museum weer verlaat en de Bornhof in loopt, een plek waar Gerhardt graag kwam. Na een kop koffie te hebben gedronken in de tuin van ’s Gravenhof, aan de voet van de Walburgstoren, gaat ze weer naar huis, want daar:

…ligt veel werk en vast

veel post. Misschien is er die brief wel bij

waarop wij wachten, jaar en dag.

Die nacht, in een droom, voltooit ze haar wandeling, in een optocht met notabelen door de stad. Alles smelt samen: de muziek, de jongen, het dichterschap, de stad… en ze wordt uit de tijd getild, steeds wetend: zó kan het maar éénmaal zijn.

Dolen en dromen, een gezamenlijke uitgave van Gerhardts vaste uitgever Athenaeum-Polak & Van Gennep en Ad ten Bosch, werd op 8 november 1980 in de refterzaal van het Stedelijk Museum ten doop gehouden. Ten Bosch was ook degene die, inmiddels had hij Athenaeum-Polak & Van Gennep overgenomen en was hij dus haar uitgever geworden, datzelfde jaar ter gelegenheid van Gerhardts vijfenzeventigste verjaardag de eerste uitgave van haar Verzamelde gedichten verzorgde. Hoezeer Ida Gerhardt een gewaardeerd en graag gelezen dichteres is geworden, mag blijken uit het feit dat in 2014 van haar Verzamelde gedichten inmiddels de 13de druk is verschenen. Daarin zijn uiteraard ook de na Dolen en dromen verschenen bundels De zomen van het licht (1983), Negen verzen van zonsopgang (1985) en De adelaarsvarens (1988) opgenomen.

Ida Gerhardt overleed op 15 augustus 1997 in Villa De Bouwkamp in Warnsveld. Gerhardts literaire nalatenschap wordt bewaard in het Stadsarchief van Zutphen. In 1998 stelde de gemeente Zutphen de tweejaarlijkse Ida Gerhardt Poëzieprijs in. In de wijk Leesten is een singel naar haar vernoemd. In 2014 publiceerde Mieke Koenen haar biografie van Gerhardt: Dwars tegen de keer. Leven en werk van Ida Gerhardt. Wetenswaardigheden over Gerhardt en haar werk worden bijgehouden op de website idagerhardt.nl.

 

 

Thea Doelwijt (Den Helder, 3 december 1938) is dichter, romancier, kinderboekenschrijfster, journalist, columnist, tijdschriftredacteur, schrijfster van filmscenario’s, toneelstukken, musicals en cabaretteksten, en televisiemaker. Een groot deel van het werk van deze culturele duizendpoot onttrekt zich wat aan het Nederlandse blikveld, maar in Suriname heeft zij de status van levende legende. Haar literaire debuut maakte ze meteen na de middelbare school, in 1957, in het tijdschrift Klat. Van 1959 tot 1961 werkte ze als journalist voor het Zutphens Dagblad, waar ze onder de naam Marianne meewerkte aan een kinderkrant. Daarna vertrok ze naar Suriname, waar ze ruim twintig jaar bleef wonen. Ze werkte er als journalist voor het dagblad Suriname, waarvoor ze de literaire pagina ‘Wi foe Sranen’ onder haar hoede had. Hierop maakten verschillende auteurs hun debuut die zich in 1968 groepeerden rond het literaire tijdschrift Moetete, waarvan Doelwijt redacteur was. Zij tekende voor het scenario van de eerste televisiespeelfilm die in Suriname werd uitgezonden, Grootvaders klok, schreef de eerste Surinaamse rockmusical, Fri libi (Leven in vrijheid), en richtte samen met regisseur Henk Tjon de eerste professionele theatergroep van Suriname op, het Doe-theater. Van 1988 tot 1992 was zij columnist van Paul Haenens tijdschrift Mens & Gevoelens. Een keuze uit Doelwijts literaire werk: Met weinig woorden (1968), Wajono (1969), Toen Mathilde niet wilde… (1972), Kri! kra! Proza van Suriname (1972), Op zoek naar Mari Watson (1987), Stop je hoofd nooit in een spinnenweb (2006), De avonturen van Max & Dax. Zoenende bijen (2008).

 

 

Kinderboekenschrijfster Erna von Klingenberg, pseudoniem van Johanna Wilhelmina Christina de Ruiter-van der Schouw, schrijfster van De vreemde verloving van Nan Verheul (1964), werd op 18 augustus 1922 geboren aan de Havenstraat 27a in Zutphen. Haar vader was ‘tabakskerver’ van beroep en dreef tot in de jaren zestig een sigarenzaak op Borrostraat 20, later Weg naar Laren 60 en 47. Nadere gegevens onbekend.

 

 

 

Ileen Montijn studeerde geschiedenis, bijvak kunstgeschiedenis, in Leiden en debuteerde als columniste in het Leidse universiteitsblad Mare. Ze schreef jarenlang columns op de Achterpagina van NRC Handelsblad, voor ze zich toelegde op het schrijven van non-fictie op een breed scala aan onderwerpen, altijd met een historische blik: van vormgeving en architectuur tot kunst, mode en standsverschil. Veelgelezen titels zijn Aan tafel! Vijftig jaar eten in Nederland (1991), Leven op stand. 1890-1940 (1998), De smaak van liefde (2000). Haar meest recente boeken zijn Hoog geboren. 250 jaar adellijk leven in Nederland (2012), Naar buiten. Landelijk wonen in de 19de en 20ste eeuw (2013) en Tot op de draad. De vele levens van oude kleren (2017). Ileen Montijn groeide op in Den Haag, de stad waar ze op 2 juni 1952 werd geboren, Brussel, Hamburg, Wenen. Eind jaren zestig kwam ze met haar ouders in Eefde wonen toen haar vader officier van justitie aan de rechtbank in Zutphen werd. In 1970 deed zij eindexamen gymnasium alfa aan het Baudartius College. De schrijver Jonathan van het Reve is haar zoon.

In het in 2015 verschenen Eefde, kroniek van een verknipt dorp schrijft Montijn:

 

We kwamen uit het buitenland. Ik was net zestien, opgegroeid in de buitenwijken van grote steden. Mijn hoofd zat vol dromen: van literatuur, van liefde, van grote dingen die ik zou doen – maar toch niet in Eefde? Niemand begreep me hier en sommige mensen, zoals opoe Beltman van de overkant, kon ik niet eens verstaan. Mijn ouders genoten van de nieuwe omgeving. Ze leerden de buurt kennen en raakten bevriend met de families Beltman en Van Zeijts. De Beltmannen waren onze ‘naaste buren’ in een wereldje dat toen nog helemaal agrarisch was en daardoor des te hechter: mijn ouders waren er trots op dat ze werden opgenomen, en deelgenoot werden van het plaatselijke lief en leed.

Vooral mijn jongste broer Maarten was vaak op de boerderij van ‘oom’ Teun Beltman. Hij ging mee op de melkrit, een uur of langer met de tractor langs de boerderijen, loodzware melkbussen op de wagen achter de tractor tillen en naar de melkfabriek brengen. Teun molk zelf ook, nog zonder machine. Op het land rond ‘Tijnshoek’ (zo ging het huis aan de Dortherdijk heten) kwamen een paard, schapen, kippen, twee parelhoenders, er is een tijdje een geit geweest, een ezel, en natuurlijk de honden. Mijn vader leerde nuttige bezigheden op het land, zoals wrochten, natuurlijk van Teun. Mijn moeder vond werk in de bejaardenzorg en kende al gauw bijna iedereen in de omgeving bij naam. En ik? Ik fietste naar het Baudartius College in Zutphen, samen met Loes Harmsen van de Harfsensesteeg. Ook op school voelde ik me een beetje ontheemd. Buiten schooltijd zat ik op mijn zolderkamer gedichten te lezen en brieven te schrijven aan verre vrienden.

 

 

Lang voordat de term ‘stadsdichter’ bestond vervulde Jacques Ringel, op 27 december 1930 geboren in Amsterdam als Zacharias Ringel, die functie al voor Apeldoorn. Ringel was logopedist en therapeut, maar bovenal theatermaker, poppenspeler, performer en dichter. In die laatste hoedanigheid schreef hij vanaf 1969 wekelijks een gedicht voor De Stedendriehoek, de huis-aan-huiskrant voor Deventer, Apeldoorn en Zutphen, waarin hij de actualiteit kritisch-humoristisch van commentaar voorzag. Hij zette daarmee een traditie voort van ‘krantendichters’ als Charivarius (Gerard Nolst Trenité), J.P.J.H. Clinge Doorenbos en P. Gasus (Pieter Peereboom). De krant bezorgde Ringel een groot lezerspubliek, maar ondergroef tegelijkertijd zijn aanzien als dichter. Zijn gedichten werden vaak afgedaan als rijmelarij, net als de krant waarin ze afgedrukt werden het bewaren niet waard.

In een online ‘In memoriam Jacques Ringel’ schrijft zijn weduwe, Rita Ringel-De Graaf: ‘Het oorlogsverleden uit zijn jeugd (zijn vader was Jood) heeft een groot stempel gedrukt op zijn werk.’ Een gedicht dat dit illustreert en dat tevens mag dienen als een proeve van zijn dichterschap is:

 

 

Kleine Max

 

Een rugzak in de smalle gang,

– twee koffers er vlakbij –

zijn moeder die al maandenlang

te zacht ‘wij wachten’ zei.

 

Een vrouw, die niet meer lachen kon,

zorgzaam naar buiten keek,

waar Max, al spelend in de zon,

mijn kortste vriendschap bleek.

 

Ik herleef zo vaak die dag in maart

– Max’ voordeur wagenwijd –

en wat mijn weten werd bespaard

tot het land laat was bevrijd.

 

Die rugzak uit de smalle gang

– de koffertjes er bij –

tors ik steeds mee. Een leven lang

telt jaren vol vier mei…

 

Ringel overleed op 5 juli 2002 in Apeldoorn. Zijn laatste gedicht voor De Stedendriehoek schreef hij Kerstmis 2001. In totaal vonden de krantenlezers in Deventer, Apeldoorn en Zutphen gedurende 32 jaar dus ruim 1650 gedichten van Ringel in hun brievenbus. Ondanks deze immense productie bleef het aantal bundels beperkt: Gaandeweg (1977), Elk lichtjaar liefde? (1977), Op leven en dood. Drie maal negen gedichten (1988) en als uitgaven van de krant Snapshots uit de samenlevingVoorlopig zwijg ik nietDe gevestigde wanorde en Tot hier en nog verder (alle zonder jaartal).

 

 

In de jaren zeventig van de vorige eeuw was Hans Werkman, op 12 februari 1939 geboren in Uithuizermeeden, leraar Nederlands aan het Baudartius College. Behalve een veelzijdig, is Werkman ook een productief auteur. Zijn oeuvre bestaat uit poëziebundels, romans, verhalenbundels, kinderboeken, dagboeken, essays, interviewbundels, non-fictie, vertalingen, bloemlezingen en een karrenvracht kritieken, die hij schreef voor het Nederlands Dagblad, waar hij sinds 1974 redacteur van is. Maar het bekendst werd hij als biograaf, met Het leven van Willem de Mérode (1971), later herzien uitgebracht als De wereld van Willem de Mérode (1983), dat in 1986 werd bekroond met de Henriëtte de Beaufort-prijs.

Werkman, hoofdredacteur van het christelijk literair tijdschrift Woordwerk, werd de woordvoerder en pleitbezorger van de protestants-christelijke literatuur in Nederland, een predikaat dat vaak in zijn nadeel werkte. Zo werd hij er in de pers van beschuldigd in zijn biografie van De Mérode, die onderwijzer was in Werkmans geboorteplaats, vanuit zijn geloof bewust diens homoseksulaiteit te hebben verdoezeld. Werkman antwoordde door aan dit onderwerp een volledig boek te wijden: De Mérode en de jongens (1991), waarmee hij de kritiek enerzijds weerlegde (kijk maar, ik ben heus niet te bescheten om het over homoseksualiteit te hebben), maar onbedoeld ook bevestigde (want kennelijk had alles uit dit nieuwe boek niet in de biografie gestaan). Als kenner van de protestantse letteren heeft Werkman na Willem de Mérode nog twee ten onrechte onbekend gebleven protestantse schrijvers voor het voetlicht gebracht. In 1995 publiceerde hij Spitten en (niet) moe worden – leven en werk van Bé Nijenhuis. In 2004 promoveerde hij met het proefschrift De haven uitgraven. De wereld van J.K. van Eerbeek (Meindert Boss 1898-1936). De laatste jaren legt Werkman zich vooral toe op het schrijven van romans en verhalen: Een dagje naar huis (2013), Het hondje van Sollie (2013), Martje en de anderen (2016).

 

 

Van januari tot juli 1976 woonde Jeroen Brouwers in Warnsveld aan de Vordenseweg 12, op de bovenverdieping van de Ruitershoeve. Dit huis werd in 1981 gesloopt. Brouwers (Batavia, 30 april 1940) schreef er de eerste hoofdstukken van zijn roman Zonsopgangen boven zee (1977). Vanuit Warnsveld verhuisde hij naar de buurtschap Exel, tussen Laren en Lochem, waar hij tot 1991 woonde en een karrenvracht aan publicaties tot stand bracht, waaronder zijn bekendste roman Bezonken rood (1981), zijn zelfmoordessays De laatste deur (1984) en het tweedelige brievenboek Kroniek van een karakter. Deel 1 (1976-1981) ‘De Achterhoek’; Deel 2 (1982-1986 ‘De oude Faust’ (1987).

 

 

Jan Boelens (Eenrum, 28 april 1928) studeerde filosofie en sociologie in Groningen en was dichter, romancier, toneelschrijver en essayist. Hij debuteerde in 1953 in De Windhoos, de befaamde poëziereeks onder redactie van Ad den Besten waar het gros van de jonge naoorlogse experimentele dichters in debuteerde, met de bundel Unvollendet. Bundels die volgden: Liturgisch (1959), Gras over de schouders van de wereld (1976), Afscheid van Antarctica (1978), Tussen nacht en morgen (1984), Archeografie (1984), Bomber boy (1985). In 1980 publiceerde Boelens de roman Landmensen. In 2004 werd drie van zijn toneelstukken gebundeld in In hogere kringen. De val van Icarus. Shakespeare revisited. Boelens woonde in Zutphen. Hij overleed op 1 februari 2011.

 

 

Wil van den Akker (Leeuwarden, 1933), voormalig hoofd van de Kennedyschool, publiceerde in 1992 onder de naam Willem van den Akker het historische kinderboek Het raadsel van de ketting en in 2000 de historische detectiveroman Het goud van de hugenoten. Hij woont in Zutphen.

 

 

 

H.C. (Johannes Cornelis) ten Berge

(Alkmaar, 24 december 1938) richtte in 1967 het tijdschrift Raster op om dichters die zich, net als hijzelf, tussen traditie en moderniteit bewogen, een pubicatiemogelijkheid te bieden. Hierdoor en door het feit dat hij het blad jarenlang in zijn eentje bestierde, was hij het boegbeeld van een onderstroom in de Nederlandse literatuur waar kritiek en publiek zich vaak niet goed raad mee wisten. Voor velen kwam zijn bekroning met de Constantijn Huygensprijs in 1996, en tien jaar later met de P.C. Hooftprijs, daardoor als een verrassing. Maar intussen had Ten Berge een oeuvre bij elkaar geschreven dat qua omvang en veelzijdigheid zijn weerga niet kent in de Nederlandse literatuur. Naast een indrukwekkend aantal dichtbundels, zoals De witte sjamaan (1973), Liederen van angst en vertwijfeling (1988) en Overgangsriten (1992), publiceerde hij verhalenbundels als Het meisje met de korte vlechten (1977), essaybundels als Levenstekens en doodssinjalen (1980), romans als Het geheim van een opgewekt humeur (1986) en dagboeknotities als De honkvaste reiziger (1995). Ook deed Ten Berge uitgebreid onderzoek naar volksverhalen van over de hele wereld, wat publicaties opleverde als Poëzie van de Azteken (1972), De raaf in de walvis. Mythen en fabels van de Eskimo (1976) en Siberiese vertellingen (1979). Bovendien vertaalde hij poëzie van onder anderen Ezra Pound, Breyten Breytenbach en Mark Strand.

Ten Berge woont sinds 1979 in Zutphen. In 1988 schreef hij voor de Stichting Beeldende Kunst Gelderland het verhaal Zutphen, waarin hij Sir Philip Sidney en J.C. Bloem laat optreden. Deze uitgave kende een gelimiteerde oplage van slechts 120 exemplaren, maar het verhaal is in uitgebreidere vorm opgenomen in de bundel Schimmen in de Kloostertuin (2008). In 1990 schreef Ten Berge in opdracht van de gemeente de novelle Een Italiaan in Zutphen (1990) om het 800-jarig bestaan van Zutphen luister bij te zetten. De Walburgkerk en De Librije spelen hierin een hoofdrol. Er wordt een beroemde Italiaanse schrijver ten tonele gevoerd in wie de lezer naar believen Umberto Eco kan zien en boekhandel Van Someren & Ten Bosch is vermomd aanwezig als de firma Van Lokeren & Los.

 

Niemand had verwacht dat de gevierde schrijver uit Piëmonte hier in levenden lijve zou verschijnen. Toch was een plaatselijke boekhandel erin geslaagd de gebrilde auteur, die even beroemd als geleerd bleek, naar het stadje aan de IJssel te lokken. Men had bespeurd dat hij zelfs met een zekere geestdrift was ingegaan op de in schuchtere bewoordingen gestelde uitnodiging. En tevens, dat hij lucratievere aanbiedingen uit het westen des lands prompt had laten schieten toen de firma Van Lokeren & Los hem polste omtrent zijn bereidheid naar Zutphen te komen. Overwegingen van financiële aard speelden bij hem geen enkele rol: de duizelingwekkende verkoop van zijn romans en een hoogleraarsfunctie in Turijn hielden hem op veilige afstand van de armoedegrens.

De ik-verteller in Een Italiaan in Zutphen is Edgar Moortgat, die eerder al een hoofdrol vervulde in Het geheim van een opgewekt humeur, waarvan het laatste deel zich afspeelt in de plaats Zuidveen. Moortgat woont aan de ‘Weg naar Tienakker’.

 

Moortgat woonde sinds enkele jaren in een vrijstaand huis aan de zuidelijke stadsrand. Zware aarden wallen hebben daar in het verleden als lunetten dienst gedaan. Het is er altijd landelijk gebleven totdat de stad zich is gaan uitbreiden. Verstrooid langs een nu doodlopende weg staat een handvol huizen op de resten van een bolwerk, waar niet meer gebouwd mag worden. De witgesausde woningen worden omringd door akkertjes en tuinen, die ook vroeger al door stadsboeren werden benut als weidegrond of bouwland. Van enige afstand kun je aan de bomen zien hoe de weg er eertijds heeft gelopen. Populieren rijen zich aaneen tot ver voorbij het punt waar de bestrating ophoudt en een armetierig modderpad afloopt naar het water, dat het hele bastion ooit heeft omspoeld. Daarachter liggen nieuwe wijken die de natuurlijke loop van oude wegen grondig hebben gewijzigd.

De achterzijde van het huis komt uit op de ommuring van het joodse kerkhof, dat door omstandigheden nog slechts zelden wordt gebruikt. Een hoog opgeschoten dennenaanplant breekt de wind vanuit het oosten. Aan de andere zijde staat bij helder weer de zon ’s middags boven de rivierdijk in de verte. Op nevelige dagen echter schuift alleen tegen de avond een bleke zilveren schijf te voorschijn, die al gauw weer wegglijdt tussen langgerekte mistlakens boven de uiterwaarden.

In 2014 bevestigde Ten Berge een halve eeuw dichterschap met de presentatie bij Van Someren & Ten Bosch van de verzamelbundel Cantus Firmus: gedichten 1993-2013, dat de eerder uitgebrachte bundels Oesters & gestoofde pot (2001), Het vertrapte mysterie (2004) en Hollandse sermoenen (2008) bevat en de nieuwe bundel Kerven, kastijdingen. In 2016 verscheen de dichtbundel Splendor.

 

 

In 1961 richtte Chris Schriks de Walburg Pers op, de uitgeverij/drukkerij, gevestigd aan de Zaadmarkt 86, waar hij tot 1986 als directeur en tot 1999 als commissaris aan verbonden was. Onder zijn verantwoordelijkheid verschenen zo’n 2500 titels, waaronder de prachtuitgaven in de maritiem-historische reeks van de Linschoten-Vereniging. Daarnaast bekleedde hij tal van bestuurlijke functies in het boekenvak, want Schriks, geboren 1931 in Helmond, was een allround boekenman: uitgever, drukker, typograaf, corrector, bibliothecaris, publicist. Schriks publiceerde verschillende wetenschappelijke werken over de geschiedenis van het gedrukte boek en het uitgeversrecht in de Nederlanden, alsmede een biografie van bibliograaf Frederik Muller, naar wie de opleiding voor het boekenvak en bibliotheekwezen is genoemd. Minder bekend, want uitgevoerd in de marge van zijn vele andere activiteiten en bovendien verborgen achter een schuilnaam, is dat hij drie bundeltjes aforismen publiceerde: Uitvallen (1980), Tijdnijd (1982) en Ontij(d) (1982), alle uitgegeven door de Gaillarde Pers, een kleine bibliofiele uitgeverij van – het zal niemand verbazen – Schriks zelf. Onder hetzelfde pseudoniem, Wouter Wytynck, schreef hij in 1984 voor Bührmann-Ubbens Papier de Ballade van Pier Haesbeek en in 2011 Jaromir : de monnik, de duivel en de deerne : musical in zes taferelen, een proeve, geïnspireerd door de Jaromir-cyclus (1833) van Staring. Onder zijn eigen naam publiceerde hij de humoristische autobiografische familieroman Nondeju! : God en geld in de schaduw van het Rijke Roomse Leven (1986, vermeerderd 2004). Chris Schriks woont in Warnsveld. Zie ook: Aryeh Hazon.

 

 

Arno Bohlmeijer (Wilnis, 21 mei 1956) verhuisde op jonge leeftijd met zijn ouders naar Zutphen, ging na de middelbare school naar de lerarenopleiding in Nijmegen (Engels en Frans), werd leraar aan het Christelijk Lyceum in Apeldoorn en haalde zijn doctoraal Engels aan de universiteit van Nijmegen. Bohlmeijer debuteerde in 1987 met de roman Op het punt van breken. Na een aantal romans stapte hij in 1992 met We zijn heus niet bang over naar kinderboeken, waar hij – ook internationaal – veel succes mee heeft. Ik moet je iets heel jammers vertellen (1994) werd vertaald in het Duits en het Engels. Zijn in het Engels uitgebrachte satirische roman Between Falling and Walking (2014) ontving lovende kritieken van onder meer Publisher’s Weekly en Kirkus Review. Voorjaar 2016 verscheen van zijn hand de thriller Schuilgaan. Bohlmeijer woont in Zutphen.

 

 

 

Jolande Withuis, geboren in Zutphen op 6 juli 1949, schrijft literaire non-fictie op de terreinen waarop zij ook als wetenschapper actief is: vrouwenstudies, psychiatrie, politicologie en geschiedenis. In 2016 verscheen haar biografie Juliana. Vorstin in een mannenwereld, die veel stof deed opwaaien omdat eruit naar voren kwam dat Juliana’s huwelijk met prins Bernhard nog ontluisterend veel slechter was dan tot dan toe al bekend was. Haar biografie van Pim Boellaard, Weest manlijk, zijt sterk. Pim Boellaard 1903-2001. Het leven van een verzetsheld (2008) werd in 2009 onderscheiden met de Libris Geschiedenis Prijs en in 2010 met Erik Hazelhoff Biografieprijs. Andere titels van haar hand zijn De jurk van de kosmonaute. Over politiek, cultuur en psyche (1995), Erkenning. Van oorlogstrauma naar klaagcultuur (2002), Na het kamp. Vriendschap en politieke strijd (2005), De vrouw als mens (2007). Withuis recenseerde vanaf 1981 fictie en non-fictie voor NRC Handelsblad, was van 1995 tot 2007 columniste van het feministische maandblad Opzij en van 2009 tot 2011 columniste bij het Historisch Nieuwsblad. Withuis is de dochter van schaakjournalist Berry Withuis (zie T. Berjawit) over wie zij het in 2017 bij de Brummense uitgeverij De Geiten Pers het verhaal De oorlog van mijn vader. Spoorzoeken in Brummen publiceerde. Withuis woont in Zutphen.

 

 

Jeugdboekenschrijfster Martine Letterie, geboren in Amsterdam op 12 december 1958, stond vanaf 1985, na haar studie Nederlands in Utrecht, enige jaren voor de klas in Zutphen. Ze was docent jeugdliteratuur aan de Pabo in Doetinchem en medewerkster van de tijdschriften over jeugdliteratuur Tikker en Bumper, voordat ze in 1996 zelf als schrijver naar voren trad. Ze debuteerde met Het schorriemorrie van de Pruk, een op waarheid gebaseerd verhaal over twee van haar eigen voorouders, die in de 18e eeuw een inbrekersbende leidden in Den Haag. Inmiddels heeft Letterie meer dan 50 boeken op haar naam, veelal gebaseerd op een historisch gegeven. Zo schreef ze over Berend van Hackfort, legeraanvoerder in dienst van Karel van Gelre, de reeks Een valk voor Berend (2001), Berend en de aanslag op de hertog (2002), Berend en de toverkruiden (2004), Gevecht met de wolf (2003), Berend en het verdwenen stadszegel (2006) en Mechteld op wolvenjacht (2007). In De genen van mijn vader (2015), haar eerste boek voor volwassenen, beschrijft Letterie de levensgeschiedenissen van haar voorouders vanaf 1600 tot nu. In haar woonplaats Vorden zijn twee kinderfietsroutes gebaseerd op haar boeken.

 

 

Thrillerschrijver Jan Kremer, op 2 juni 1952 geboren in Arnhem, kende ‘een weinig bemoedigende carrière als constructieschilder, meteropnemer en magazijnbediende’, die echter een wending ten goede nam toen hij na de School voor de Journalistiek te hebben gevolgd terecht kwam bij de stadsredactie van de Arnhemse Courant. Twee jaar later werd hij gemeentevoorlichter, eerst in Arnhem en sinds 1987 in Zutphen. Van 1987 tot 1991 woonde hij aan de Oude Bornhof.

In 1994 debuteerde hij met de in opdracht van de gemeente geschreven, als representatiegeschenk bedoelde novelle Een opmerkelijke ruil in Zutphen. Hierin spelen de oorkonde waarmee Graaf Otto Zutphen in 1191 als eerste Gelderse stad (en derde van Nederland) stadsrechten verleende en de stoffelijke resten van de kind-heilige Sint Justus van Auxerre, als reliek in de Walburgkerk bewaard, een hoofdrol. (‘Hoofdrol’ is in Justus’ geval een wat ongelukkig gekozen woord, want als negenjarige jongen was hij met zijn vader, onderweg van Parijs naar Amiens, in handen van Romeinse ambtenaren gevallen die erop uit waren zoveel mogelijk christenen aan te brengen. Justus weigerde te verraden in welke richting zijn vader had weten te ontkomen en stierf de marteldood, waarna hij werd onthoofd. Dit gebeurde onder keizer Diocletianus in het jaar 287. Volgens de Romeinse kalender wordt zijn feest op 18 oktober gevierd, in Zutphen werd als feestdag echter 11 oktober aangehouden. De viering betrof daar zijn lichaam, het hoofd zou in Trier zijn. Historicus Prof. dr. Willem Frijhoff (Zutphen, 1942) heeft zich uitvoerig beziggehouden met Sint Justus in Zutphen.) Het verhaal speelt zich deels af in 1191 en deels in 1994. In 1997 verscheen Kremers misdaadroman De connectie, over de Arnhemse rechter-commissaris Alex Dewinter, die ook de hoofdrol speelt in De ingreep (1999) en De misleiding (2002).

 

 

Kitty de Josselin de Jong, geboren in Den Haag op 9 juli 1903, debuteerde in 1926 met De ééne richting. Een roman voor jonge mensen. Daarop volgde een bundel novellen getiteld Dissonanten (1930) en de roman Het antwoord (1932). In 1931 hielp zij mee bij de organisatie van het PEN-congres in Den Haag, waarop beroemde auteurs als Jakob Wassermann, John Galsworthy en Georges Duhamel aanwezig waren. Als afgevaardigde van de Nederlandse PEN-club bezocht zij de congressen in Edinburgh (1934), Barcelona (1935), Parijs (1937), Stockholm (1946), Zürich (1947), Nice (1952), Dublin (1953), Wenen (1955) en Londen (1956). Na de Tweede Wereldoorlog stapte ze van proza over naar poëzie: Nacht en ontij (1945), Pelgrims (1946). Haar laatste dichtbundel verscheen in 1973: September is een lied in blauw. Net zoals voor de oorlog haar romans, volgden ook haar verzen na de oorlog de conventies van een generatie ‘ouderwetse’ schrijvers die veel gelezen werd maar de aansluiting met de moderne tijd miste: Annie Salomons, Ina Boudier-Bakker, Top Naeff, met wie zij alledrie goed bevriend was. In 1986 verscheen een bloemlezing uit haar poëzie: Hart van zingen moe en moe van hopen. De Josselin de Jong overleed op 25 november 1991 in een verzorgingstehuis in Warnsveld.

 

 

Ad ten Bosch, geboren in Zutphen op 5 maart 1951, was eigenaar van de mede door zijn vader opgerichte boekhandel Van Someren & Ten Bosch en tevens, vanaf 1989, enkele jaren van uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep, in Amsterdam. Ten Bosch is met Ben Hosman erfgenaam en beheerder van de literaire nalatenschap van Ida Gerhardt. Over zijn vriendschap met haar, gedurende de laatste twintig jaar van haar leven, publiceerde hij in 1999, het jaar van haar overlijden, het boek Gebroken lied. Een vriendschap met Ida Gerhardt. Ten Bosch publiceerde vijf romans, waarvan de eerste drie de zwerftochten van zijn alter ego Anton Traandijk beschrijven: Vera Cruz voorbij (1994), Nachtwind (1995), Erfenissen (1996). Daarna volgden Huidhonger (2004), In Florence (2009). In 2015 verscheen de verhalenbundel De tuin in Biak.

Ten Bosch treedt als personage onder de naam Geertjan Los op in H.C. ten Berges novelle Een Italiaan in Zutphen, waarin boekhandel Van Someren & Ten Bosch is omgedoopt tot Van Lokeren & Los.

 

 

Behalve presentator van het VPRO-programma Boeken en docent aan de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam is Wim Brands, geboren in Brummen op 29 maart 1959, dichter. Zijn eerst gepubliceerde gedicht verscheen in 1978 in Hollands Maandblad. Brands was toen 19. Vanaf zijn veertiende had zijn leven in het teken van de literatuur gestaan: hij las vier, vijf boeken per week. Als scholier bezocht hij het Stedelijk Lyceum in Zutphen. In 1985 debuteerde hij met de bundel Inslag, die werd gevolgd door Zwemmen in de nacht (1995), In de metro (1997), De schoenen van de buurman (1999), Ruimtevaart (2005), Neem me mee, zei de hond (2010), ’s Middags zwem ik in de Noordzee (2014). In 2012 verscheen een bloemlezing uit zijn werk: De vijftig beste gedichten van Wim Brands.

Met grafisch ontwerper Max Kisman maakte Brands in het kader van het project ‘Poëzie op het draagbare beeldscherm’ van het Nederlands Letterenfonds en het Mondriaan Fonds de iPad app IJsseloever. Hierin wonen ‘twee bejaarde vrouwen (…) al tientallen jaren aan de rand van een’ niet met name genoemd ‘Gelders dorp’. Wie Ad ten Bosch’ boek Gebroken lied kent, over de vriendschap die hij als jongeman had met Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde, begrijpt dat Brands en Kisman met hun app hieraan refereren. ‘De vriendinnen worden ze genoemd. Ze komen niet vaak in het dorp, ze hebben eigenlijk alleen contact met een twintigjarige jongen. Een keer peer week haalt hij de vriendinnen op, ze rijden dan naar de rivier, een kilometer of twintig stroomopwaarts. Ze kijken naar de schepen, lezen de opschriften en varen in gedachten mee naar Duitsland, naar Frankrijk.’ De app voert langs zestien momenten uit de levens van beider dames.

In 2014 was Brands juryvoorzitter van de Ida Gerhardt Poëzieprijs. In 2015 schreef hij voor de Brummense uitgeverij Geitenpers De onverharde weg, een coproductie met tekenaar Cornelius Rogge, waarin hij zijn herinneringen aan de tijd dat hij als jongen rondzwierf in het bos van Voorstonden op schreef. Ook het allereerste gedicht dat hij publiceerde in Hollands Maandblad is erin opgenomen. Wim Brands overleed op 4 april 2016 in Amsterdam. In 2017 verschenen zijn Verzamelde gedichten en de gedenkbundel Alles komt goed, onder redactie van Maarten Westerveen en Jeroen van Kan.

 

 

Paul Rodenko’s buurman op de Rozenhoflaan was Peter Bekkers, nog scholier aan het Stedelijk Lyceum toen Rodenko stierf. Toen in 1991 het eerste deel van Rodenko’s Verzamelde essays en kritieken verscheen, bestempelde Bekkers Rodenko als ‘de magiër van Zutphen’. Bekkers, geboren in 1958 in Zutphen, is historicus, journalist en schrijver van vrolijk-absurdistische, onorthodoxe romans in de vrijdenkersgeest van Michail Zosjtsjenko, Ramon Gómez de la Serna en Raymond Queneau: Een roos opeten (1998), Veel mensen vielen in zee (2004) en Trouw is de andere wang (2009). Zijn herinneringen aan Rodenko publiceerde hij op 5 april 1991 in de Volkskrant:

 

Zutphen, begin jaren zeventig. Hier leeft Paul Rodenko.

Vanaf de brug over de IJssel maakt het stadje een mediterrane indruk: het stromende water van de rivier die zachtjes langs de stad glijdt, de haven met de dommelende vissersbootjes en de luxe-jachten, de gloed van de huizen, de tientallen kerktorens die in de lucht prikken – het lijkt een oudere, een zachtere en vooral een langzamer wereld. De verschijnselen zijn hier duurzamer dan in de grote stad. Je moet langzaam leven om het wonder te kunnen zien, schreef Rodenko in 1944. Het is middag en doodstil in de Rozenhoflaan, een voorname straat net buiten het centrum, even voorbij de Grote Gracht. De mannen zijn op hun werk of op reis, de meeste kinderen zijn naar school en alleen de vrouwen zijn thuis. Het is het uur van de vrouwen. Maar de vrouw van de röntgenoloog, de vrouw van de rector, de vrouw van de notaris en alle andere vrouwen begeven zich niet op straat. Ze verkiezen de luxe en de axquise eenzaamheid van hun herenhuizen.

Het enige teken van leven in de straat is een zwakzinnige jongen. Hij is de zoon van de dokter. Elke dag zit hij op het stoepje voor zijn huis en blaast op zijn mondharmonica. Het eindeloze, monotone heen en weer van zijn romp bepaalt het ritme. Melodie heeft hij niet. Hij zit op zijn stoepje tussen de rozen en de bloeiende rododendrons en beweegt zijn romp heen en weer en blaast op het instrument. Later in de middag zal hij gewoontegetrouw zijn briefjes schrijven: onleesbare krabbels, gericht aan de vrouwen in de huizen. Met een gezicht dat eeuwig op zoek is naar een uitdrukking, gaat hij de huizen langs en duwt zijn berichten van geene zijde in de brievenbussen.

Dan gaat de voordeur van een van de huizen open en slaat een tel later weer dicht met een klap die de ruiten in hun kozijnen doen trillen (het ligt aan de deur). Paul Rodenko verlaat zijn woning om met de hond een luchtje te scheppen in het park. “De kluizenaar van Zutphen” wordt hij genoemd door de bewoners van de Rozenhoflaan. Maar dat was hij helemaal niet. Hij was een “orensnijder tulpensnijder”:

 

Uit het hout van de morgen

uit morgenrozenhout

sneed ik een beeld

heel licht en smaller dan een lijsterstem

een beeld van morgenrozenhout

 

Het was zo schuw zo ongeschoold

dat ik het zelf niet kende

met elke windvlaag was het weg

maar ’n kind

een bloesemtak

een onbekende

bracht het mij zeer voorzichtig weer terug

 

Rodenko is hier een “roi en exil”. Men kent hem hooguit van zijn bijbaantje als woordvoerder van de experimentelen. Geen mens heeft ook maar een vermoeden van zijn koninklijke en riskante verticale uitstapjes.

Vrijwel nooit gaat hij alleen de straat op. De ruimte maakt hem duizelig. Hij gaat óf samen met zijn vrouw óf met de hond, en altijd dicht langs de gietijzeren hekken, alsof hij iets moet hebben om zich aan vast te kunnen grijpen.

Om de hoek van de straat komen ze bij een pompstation, van waar ze kunnen kiezen uit drie parken. De twee oude mannen die het pompstation beheren morsen zo overvloedig met benzine, dat de Zutphenaren hun sigaretten doven als ze in de buurt komen. Tot aan de zoom van de parken is de vijandige geur van de benzine te ruiken: de kegel van het kapitalisme.

Rodenko en de hond verdwijnen in het park met de hoogste bomen.

Als je hem ziet lopen, zo’n beetje schuifelend en tastend, de schouders naar achteren en met een “beschouwelijk pijpje” tussen de tanden, maakt hij een nogal verstrooide indruk. Als je niet beter wist zou je hem houden voor een typische vertegenwoordiger van die beminnelijke, anno 1991 vrijwel uitgestorven figuur van de verstrooide intellectueel. Rodenko is vaak zo getypeerd. Maar er is iets richtingloos, iets stoffigs en besluiteloos in het begrip verstrooidheid, een neiging om de weg kwijt te raken, iets snuffeligs en scharreligs om met Nabokov te spreken, iets dat Rodenko helemaal geen recht doet. Want hij had hete vuren branden in zijn leven.

 

Auke Leistra, op 9 juli 1958 geboren in Driebergen maar opgegroeid in Zutphen, publiceerde korte verhalen in Maatstaf en schreef twee thrillers: Moord op het Pieterpad (2005, samen met Gert Jan de Vries, onder de naam Gebr. Wagenaar) en Bloed op het palet (2010, samen met zijn broer Gerlof Leistra (Zutphen, 12 oktober 1959), onder de naam Leistra. Moord op het Pieterpad mag met recht een literaire thriller heten, want de intrige is verweven met de figuur van de dichter Staring. Het verhaal speelt zich deels af in Vorden en Zutphen:

‘Op het station van Zutphen was hij niet meteen in de trein gestapt. Daarvoor was zijn dorst te groot geweest. Hij was de stationsrestauratie binnengestapt en had eerst, staand aan de bar, een groot glas bier besteld.

“Iets te eten erbij?” had de ober die achter de bar stond vriendelijk geinformeerd.

Jaro had hem met het glas aan de mond laten wachten. Hij had het ijskoude bier in één keer weg geklokt en toen met veel bezieling geantwoord: “Graag.”

De man had gegrijnsd. “En nog een pilsje, zeker?”‘

Leistra is vertaler van onder meer David Sedaris, Bill Bryson, John Updike, Thomas Pynchon, Joseph O’Neill, Anthony Powell, V.S. Naipaul. Ook treedt hij regelmatig als dichter op.

 

 

Henk Pröpper werd 12 november 1958 geboren in Weert, maar groeide op in Gelderland. Vanuit zijn woonplaats Brummen bezocht hij het Baudartius College in de jaren dat Hans Werkman er, net als Pröppers moeder, docent Nederlands was. Samen met zijn in 1990 overleden vrouw Margreet Jansen schreef hij de roman Het zwaard van de kreeft (1991), gevolgd door de essaybundel Een intiem slagveld (1993) en het verhaal Brummens kwartier (1994). Pröpper was recensent voor de Volkskrant en lid van het leespanel van het literaire tv-programma Zeeman met boeken. In 2003 werd hij directeur van het Nederlands Literair Productie-en Vertalingen Fonds, van 2011 tot 2016 was hij directeur van De Bezige Bij.

In Brummen’s kwartier (De Geiten Pers, 1994) beschrijft hij zijn herinneringen aan de dagelijkse fietstochten naar school:

 

Dit was een winnende fiets

Ik demarreerde linke en rechts over de weg en probeerde kilometers lang voor mijzelf uit te rijden. Tegen de dijk op die naar De Hoven voerde, bereikte ik zo’n ongenadig tempo dat het leek of ik hele stukken van het parcours oversloeg. In polders gaat alles rechtdoor, maar niets is zo recht als het spoor dat ik trok. Op de IJsselbrug passeerde ik de reclamekaravaan die een half uur voor mij was vertrokken, allerlei schoolkinderen met spijkerbroeken van Lee en Levi’s, schoenen van Adidas. Ik zag ze niet staan.

En dan zat ik daar, stinkend en wel in het klaslokaal, en niet voor het laatst die geur van honing verspreidend, want tussen de middag werd er voetbal gespeeld met als doel een van de oude stadspoorten waar de Spanjaarden duizenden Zutphenaren over de kling hebben gejaagd. We voetbalden daar met een identiek fanatisme, zonder ons om enig reukorgaan te bekommeren, net zomin als de honden die daar werden uitgelaten.

 

 

Mak Zeiler (Zutphen, 7 april 1928 – Zutphen, 23 september 2001) was het pseudoniem van Daan J. Kempe, zeilmaker van beroep. Zeiler is dichter van het Flevolands volkslied (1994, muziek Riemer van der Meulen). Hij publiceerde de bundels “Amen”, zei de dominee (1979), Niet zo benauwd… (1982), “Heden is het Pasen!” zei de melkboer en enkele andere gedichten (1988), Ik ben jou niet… (1990), Kauwgom Joe en 19 andere versjes (1990), Alles heeft zijn uur… (1992), Onderweg genoteerd… (1992), “Op de slippen van de vreugt” (1994), drie deeltjes Dichtregels bij bijbeltegels (1994, 1996, 1998), Leven in verbazing (1995, ter gelegenheid van de negentigste verjaardag van Ida Gerhardt), De tamboerijn (1999), In mensentaal (2001). Tevens: als antwoord op Starings ‘Jaromir te Zutphen’ het verhaal Jaromir te Almen (1990) en Het konijn nam een snipperdag. Een kijk-, lees- en zingboek voor de jeugd (1999). Zeiler woonde aan de Emmerikseweg 74. De dichter Pieter Bas Kempe is zijn zoon.

 

 

P.B. (Pieter Bas) Kempe (Zutphen, 1962) studeerde Nederlands en debuteerde in 1994 als dichter met de bundel Van hier en van ver. In 2000 verzorgde hij de bloemlezing De hof der schaduw, met vertalingen van de Engelse dichter Ernest Dowson (1867-1900). Hij publiceert in diverse periodieken als Poëziepuntgl en in het Tijdschrift voor Slavische Literatuur. In 2011 won hij de landelijke ‘Voetveerponten-gedichtenwedstrijd’. In 2016 publiceerde hij de bundel Zutphense wereldwonderen, waarin Zutphen ‘een eigenzinnige verhouding met de zeven antieke wereldwonderen [krijgt] toegekend’, zoals het in de flaptekst staat geformuleerd. Zo vindt de tombe van koning Mausolos in Halikarnassos, bij Bodrum, een Zutphens equivalent in:

 

Mausoleum voor Paul Rodenko in februarizon

 

Anjerlaan,

Rozenhof,

Wolfeler Enk:

 

voldongen kei

aan prehistorische Voorster Allee.

grijze Basiliuskathedraal

boven de wereld als jongenskamer.

Griffel op lei:

 

hier staat wie wij

een groet met schoolse nijging brengen.

Ver van Riga, dicht bij huis,

draagt hij het masker van het  bloemrijk

ondergronds.

 

Behalve dichter is Pieter Bas Kempe schilder. Hij woont in Zutphen.

 

 

Michiel Heijungs (Wassenaar, 1957) woonde van 1966 tot 1976 in Zutphen en later nog een korte periode ‘rond 1980/82’. Hij was onder andere journalist, musicus, handelaar in edelstenen en entrepreneur. Na verhalen te hebben gepubliceerd in Tirade, KortVerhaal en Gierik/NVT verscheen in 2014 zijn debuutroman Retour Bangkok over een Nederlandse jongen, de naamloze verteller van het verhaal, die in de internationale drugshandel belandt. Heijungs zat op het Stedelijk Lyceum dat, net als Zutphen, een figurantenrol vervult in het boek:

 

Uit eigen ervaring weet ik dat het helemaal niet zo onverstandig is een flink deel van de tijd halfdronken of stoned door te brengen. Die gewoonte bespaart me al jaren veel conflicten en ergernissen. Mijn eerste joint, zo rond mijn zestiende, leidde niet tot spirituele inzichten of religieuze openbaringen. Het was veel beter: ik kon me eindelijk eens ontspannen en dat was hoognodig. Sinds het ouderlijk gezag had besloten te verhuizen van Amsterdam naar de diepe provincie, raakte ik daar voortdurend verwikkeld in conflicten. Wie in het naargeestige provinciestadje correct Nederlands sprak was een aansteller, wie elke dag onder de douche stond een flikker, en wie op het Protestants Christelijk Streek Lyceum te veel vragen stelde een onruststoker. Betrapt worden op het roken van hasj leverde het predikaat jeugddelinquent op.

Regelmatig cannabisgebruik sleep de allerscherpste randjes weg en heeft zodoende waarschijnlijk een paar klootzakken het leven gered. Daarnaast kreeg ik vlot in de gaten dat de plaatselijke dealer leuk verdiende, te zien aan de mooie spullen die de jongen erop nahield. Op het schoolplein betaalden we hem een tientje voor een lullig stukje uitgedroogde hasj, gewikkeld in zilverpapier. De aanvoer was onregelmatig. Dat moest beter kunnen.

 

 

Uitgever-dichter Thomas Rap (1933-1999) en NRC-Handelsblad-columnist G.L. van Lennep (1930) publiceerden op de Achterpagina van NRC-Handelsblad een gefingeerde briefwisseling tussen Tante Odile (Rap) en haar nicht Claire (Van Lennep), woonachtig in Warnsveld. De brieven, snobby, mondain en geestig, werden gebundeld in Claire & Odile. Familieberichten (1986).

 

Wij waren nog even in Amsterdam, waar de alleraardigste jonge arts Lange – die jaren terug in Warnsveld verving en toen de Nederdoc werd genoemd – zich gerieflijk en gehuwd heeft geïnstalleerd. Nog altijd kinderogen achter een gouden brilletje en de mooiste schoenen van de hele wereld. Op Kievitsdael is de aantrekkelijke regelmaat teruggekeerd. De Duitse televisiemensen, der Alte under der Junge, zijn gekomen en – snel  – weer gegaan. Weinig nieuws + matige platgetreden grappen over de Oostenrijke witte wijn.

Alexander typt zijn mooie pianistenvingers blauw op een ouderwetse machine; zal daar ooit het boek uitkomen dat ‘alle andere boeken overbodig maakt’? Hij gaat af en toe naar de bibliotheek van het R.K. Jongensinternaat te Zutphen. Volgens mij is dat meer om zijn jeugd, ook deels op kostschool doorgebracht, opnieuw te ruiken, te horen en te zien.

 

 

Rico Bulthuis, geboren in Den Haag op 27 augustus 1911, woonde na zijn pensionering in 1976 achtereenvolgens in Vorden, Warnsveld en Zutphen, eerst aan het Rijkenhage 32, daarna Emmalaan 11, later 27. Behalve schrijver was hij fotograaf, illustrator, poppenspeler, hulpje van een waarzegger en kunstredacteur bij de Haagsche Courant. Bulthuis beoefende praktisch alle literaire genres. Zo schreef hij fantastische verhalen (Het glazen masker, 1940), romans (De schim van Joyce Herfst, 1948), detectives (De misdaad van Richard Ros, 1950), en memoires (De koorddansers en andere herinneringen, 1985). Ook leverde hij werk voor het poppentheater: Diederiks droeve dood; sprookje voor marionetten (1933), Lied zonder naam; harlequinade voor marionetten (1935) en Grotesken (1938), en schreef hij een geschiedenis van het Poppentheater (1948). Als student aan de Academie voor Beeldende Kunsten nam hij deel aan een in 1933 door het maandblad Filmliga uitgeschreven scenariowedstrijd. Bulthuis won de eerste prijs met zijn filmscenario Illusie, dat wel in drukvorm verscheen, maar nimmer werd verfilmd. Wel werd zijn roman Het andere verleden (1947) in 1963 door Giovanni Korporaal verfilmd onder de titel De vergeten medeminnaar, met Henk van Ulsen in de hoofdrol. Als Riko Burotohausu schreef hij voor de Japanse radio het hoorspel Dauyamondo (Diamanten), waarin Zutphenees Robert van Gulik de detective speelde. Bulthuis overleed in Zutphen op 4 oktober 2009.

 

 

Begin Tommy Wieringa (Goor, 20 mei 1967) niet over Zutphen! In een rede, uitgesproken bij de lustrumviering van de Hogeschool van Utrecht op 30 augustus 2000, vertelde hij hoe hij halverwege de jaren tachtig door ‘een bevlieging van mijn moeder’ naar de Vrije School in Zutphen moest – ‘een noodlottige vergissing waarvan de gevolgen tot op heden nadreunen’ – waarvoor hij zijn hele middelbareschooltijd lang vijf maal per week tweeënhalf uur moest reizen, omdat de familie Wieringa in Almelo woonde. Wieringa:

 

Het antroposofische onderwijs is aan het begin van de 20ste eeuw ontwikkeld door de duistere Oostenrijkse denker Rudolf Steiner. Aan het eind van die eeuw werd zijn troebele filosofie nog altijd vrijwel ongewijzigd uitgedragen.

Steiners werken zijn pasgeleden door een onderzoekscommissie beoordeeld en op 16 passages sterk racistisch bevonden.

De leerlingen wisten dat al wat langer.

De aardrijkskundeleraar vertelde dat de continenten waren geschapen naar analogie van het menselijk gezicht: breed van boven en spits toelopend naar de kin, zie Kaap de Goede Hoop of Vuurland.

– En Australië dan?

wilden wij weten.

– Of Antarctica, zijn dat dan continentale misbaksels?

Ik bedoel, we waren niet blind ofzo. Maar nadere uitleg kregen we niet. Hij vervolgde met zijn inzichten in soort en ras:

– Kijk, hierboven, in die brede, bovenste ring, dat zijn wij: het blanke, Kaukasische ras. Daar horen ook de Amerikanen bij. Wij vertegenwoordigen het denkend deel der aarde, de cultuurmens, dat is aan de geschiedenis van de mensheid wel te zien. Dan is er een tweede ring, zeg van de Indiaanse, Maleise en Mongoolse rassen. Dat zijn de harde werkers, landbouwers om zo maar te zeggen. Daar is wilskracht de grootste deugd. Onder die ring vind je de negerrassen, waaronder ook de Aboriginals. Zij zijn onbekommerd, dansen veel en bekommeren zich niet om boeken of studie. Bij de negerrassen is het gevoel de voornaamste deugd.

München 1938. En ook Zutphen 1985.

Mijn haat jegens deze ariosofische racist verdiepte zich nog toen hij, nadat ik uiteindelijk van school af moest, mijn zelfgetekende wereldkaart van een meter bij een meter niet teruggaf.

Hij staat nog steeds voor de klas. Officieel is het lesmateriaal van de Vrije Scholen geschoond van racistische dogma’s, maar hij zal zijn gekkenpraat nog altijd wel verkondigen. In een nieuw gebouw, dat wel. Ik ben pas wezen kijken op de opening. Het is groot en mooi. De antroposofische gerichtheid op het Teutoonse Rijk is onverminderd sterk, want ik telde zeven lokalen Duits.

Tot hier mijn oertijd, daarna is het een beetje lichter geworden.

Hoe ellendig hij het in Zutphen op de Vrije School ook mag hebben gehad, voor de literatuur was het een goede zaak: het leverde hem de stof voor zijn eerste roman: Dormantique’s manco (1995). Het boek is gesitueerd in Zutphen en vertelt het ‘coming of age’-verhaal van de 16-jarige Bas en Nina, die op een school zitten ‘voor kinderen met speciale ouders’. In Wieringa’s tweede roman, Amok (1997), is Zutphen de woonplaats van hoofdpersonage Léon Fischer. En de figuur van Fransje, de verteller uit Joe Speedboot, is gebaseerd op een klasgenoot van de Vrije School.

 

 

Anneke Brassinga, op 20 augustus 1948 geboren in Schaarsbergen, was een gereputeerd vertaalster, onder meer van Vladimir Nabokov, George Orwell, Oscar Wilde, Sylvia Plath, toen zij in 1985 als dichter debuteerde met het toepasselijk getitelde Brassinga’s debuut, een bibliofiele uitgave in een gelimiteerde oplage van 75 exemplaren van De Lange Afstand, margedrukkerij van graficus Peter Yvon de Vries (Groningen, 1952), met wie zij in 1988 trouwde. Brassinga’s debuut werd integraal opgenomen in Brassinga’s officiële debuut, bij De Bezige Bij, de bundel Aurora (1987). In 1989 volgde de bundel Landgoed, in 1991 de bundel Thule. In 1993 verhuisden zij naar Paardenwal 9 in Zutphen. Vanuit hun atelier ‘De Elzeprop’, op landgoed ‘De Elze’ bij Eefde, stuurden zij een reeks bibliofiele uitgaven de wereld in, zowel met eigen poëzie als poëzie van anderen, zoals Wiel Kusters, Tom van Deel en Erik Menkveld. Daarnaast verschenen regelmatig nieuwe bundels bij de ‘Bij’: Zeemeeuw in boomvork (1994), Huisraad (1998), de verhalenbundel Hapschaar (1999), Verschiet (2001), Timiditeiten (2003), Wachtwoorden. Verzamelde, herziene gedichten, 1987-2003 (2005), IJsgang (2006), Ontij (2010), Het wederkerige (2014).

Brassinga kan ruimschoots op haar lauweren rusten: haar werk werd onderscheiden met de Herman Gorterprijs, de Paul Snoekprijs, de Ida Gerhardt Poëzieprijs, de VSB Poëzieprijs, de Anna Bijnsprijs, de Constantijn Huygensprijs en de P.C. Hooftprijs.

Peter Yvon de Vries schreef zelf ook poëzie: Miss Lola (1987). In Oesters en orakels (1994) bundelde hij reisverslagen, reportages, brieven en dagboeknotitie die hij geschreven had voor Het Parool en HP/De Tijd. Daarna leverde hij nu en dan een bijdrage aan de ‘Achterpagina’ van NRC Handelsblad.

 

 

In 1983 kwam uitgeverij Querido op het gelukkige idee om beeldend kunstenaar Jan Jutte te vragen illustraties te maken bij een heruitgave van Annie M.G. Schmidts Het Beertje Pippeloentje, oorspronkelijk in 1958 verschenen met tekeningen van Wim Bijmoer. Sindsdien heeft Jutte, geboren in Arnhem op 1 oktober 1953, ruim tweehonderd uitgaven van illustraties voorzien, van schrijvers als Toon Tellegen, Guus Kuijer, Doeschka Meijsing, Edward van de Vendel, Bibi Dumon Tak en Barbara Joosse. Driemaal is hij daarvoor onderscheiden met een Gouden Penseel: in 1994 voor Lui, Lei, Enzo, geschreven door Rindert Kromhout, in 2001 voor Tien stoute katjes, van Mensje van Keulen, in 2004 voor Sjoerd Kuypers Een muts voor de maan. Daarnaast is Jutte tekenaar én schrijver van een vijftal prentenboeken. Daarvan werd het eerste, Opstaan (1997, naar een idee van zijn vrouw Nanouk Masselink), verkozen tot een van de Best Verzorgde Boeken van 1999, op de Biennale of Illustrations Bratislava (BiB) onderscheiden met de Gouden Plaque 1999 en vertaald in het Duits, Frans en Koreaans. Na Opstaan volgden Ruimtereis (2001), Op de step (2001), Pak me dan! (2001) en het samen met zijn vrouw geschreven Met vis naar zee (2006). Jutte woonde lange tijd aan de Coehoornsingel 116 in Zutphen, maar verhuisde in 2013 terug naar zijn geboortestad. Het Stedelijk Museum eerde hem in 1998 met de tentoonstelling ‘Kleng Pats Boem, illustraties van Jan Jutte’.

 

 

Dat Leonard Beuger, geboren 25 juni 1949 in Rotterdam, geen bekende naam in de Nederlandse letteren is heeft hij zelf in de hand gewerkt. In 1995 debuteerde hij met de roman Rood haar, uitgegeven door het Davidsfonds in Leuven, ver weg van de spotlights. En zijn volgende twee boeken publiceerde hij onder pseudoniemen. In het geval van Gottliebs dood (1997) had hij daar alle reden toe, want dit ‘ego-document’, uitgebracht als nummer 214 in de prestigieuze reeks Privé-domein van De Arbeiderspers, was een mystificatie. Nadat duidelijk werd dat Frank Meyrink, de zogenaamde auteur, die volgens de achterflap ‘theaterwetenschapper en vertaler Duits en Middel-Hoog-Duits’ was, niet bestond, begon het speculeren naar de ware identiteit van de schrijver. Als kandidaten werden onder meer Geerten Meijsing, Boudewijn Büch en Martin van Amerongen genoemd. Uitgever Martin Ros, die het spel natuurlijk met genoegen meespeelde, hield vol dat het om ‘een eenvoudige student uit Nijmegen’ ging, ‘met een versleten aktetas’. In 2011 koos Beuger voor zijn roman Cavalese weer een nieuw alias: Lisa Meyrink. Behalve schrijver is Beuger regisseur/dramadocent, muzikant en vertaler en uitgever van het werk van de Engels-Amerikaanse humorist P.G. Wodehouse (zie daar). Hij is lid, en voormalig bestuurslid, van de P.G. Wodehouse Society. Beuger woont in Zutphen.

 

 

Wajira de Weijer, Eindhoven 1954, volgde de opleiding grafiek aan de Sint Joost Academie voor beeldende kunsten in Breda en was poppenkastspeelster, voordat ze ging schrijven. De Weijer woonde in Zutphen aan de Braamkamp. Zij schrijft kinderboeken die ze zelf illustreert: Haan zoekt huis met geluk (1999). Daarvoor schreef ze als Wajira Meerveld o.m. Frits en Spits (1992), Jofel en Jofel (1994), Dorus Das en de reis naar het Verre Oosten (1995).

 

 

In de catalogus van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag staat dat Paul Kastelein het pseudoniem is van Paul Exloo, maar dat is zelf ook weer een schuilnaam. De schrijver achter deze beide aliassen is Paul Eckhart (1960), al schijnt ook dat niet zijn echte naam te zijn. Hij debuteerde in 1998 als Paul Kastelein met de roman De erfgenamen, die in 2002 werd gevolgd door de roman In ballingschap. Reconstructie van een noodlottige vriendschap. In 2004 schreef hij als Paul Exloo de ‘novelization’ van De dominee, de speelfilm van regisseur Gerrard Verhage geïnspireerd op het leven van drugsbaas Klaas Bruinsma. Kastelein-Exloo-Eckart woont in Zutphen.

 

 

Najiba Abdellaoui, in 1981 geboren in Warnsveld, schrijft gedichten, spoken word pieces, columns en korte verhalen. Ze woonde in Zutphen in de wijk Waterkwartier. Na het Isendoorn College studeerde ze International Business in Tilburg. In 2000 won ze de El Hizjra literatuurprijs en de Kunstbendeprijs, waarna ze overal in Nederland optrad. In 2008 verscheen haar kinderboek Nasim en Natalie, geschreven samen met Pieter Feller, en won ze als eerste vrouw het Nederlands Kampioenschap Poetry Slam, waardoor ze het jaar daarop Nederland vertegenwoordigde op het World Poetry Slampionship in Parijs. Inmiddels heeft ze op podia in Londen, Antwerpen, Madrid, Berlijn, Manchester, Parijs en New York gestaan. Als lid van het performance poetry gezelschap Poetry Circle Nowhere speelde Abdellaoui een rol in verschillende poëtische theaterstukken. Van 2010 tot en met 2012 was ze (de eerste) Stadsdichter van Woerden. Bij haar afscheid verscheen de bundel Nog steeds niets wat het lijkt. Stadsgedichten Woerden (2013).

 

 

Annegreet van Bergen, geboren in Enschede op 29 januari 1954, schreef over economie in o.a. de Volkskrant en Elsevier, voordat ze zich na een burn-out op het schrijven van literaire non-fictie toelegde. In 2000 publiceerde zij De lessen van burn-out. Een persoonlijk verhaal. In 2010 verscheen. De grote doorbraak kwam met haar bestseller Gouden jaren. Hoe ons dagelijks leven in een halve eeuw onvoorstelbaar is veranderd (2014). Dit boek stond 100 weken in de top-60 van best verkochte boeken en er werden in twee jaar tijd meer dan een 280-duizend exemplaren van verkocht. In 2015 werd het boek genomineerd voor de Libris Geschiedenis Prijs en de NS Publieksprijs. Van Bergen woont sinds 2006 in Zutphen.

 

 

Henk Gombert (Almelo, 1956) woont sinds 1996 in Zutphen en is dichter en beeldend kunstenaar. In beide disciplines is de IJssel zijn grote inspiratiebron. Hij publiceerde de bundels Dichter aan het water (2001), Stroming (2003), Wind over water (2006), Rivierenland (2009), Blauw in groen (2013).

 

 

Minke Maat is fotograaf en dichter. Ze publiceerde de dichtbundels Meifeest (2001), Een kus op je gedachten (2006), Water op pootjes (2010) en Het is overal (2016). Ze omschrijft haar gedichten als ‘schilderijtjes van woorden’. Ze werd op 2 januari 1974 geboren in Voorst en woonde van haar zesde tot haar zestiende in Zutphen, achtereenvolgens in de Rozenhoflaan en op de Hazenkamp. Uit haar tweede bundel het gedicht:

 

wandeling

 

stap na stap

de wereld voor je

nog stil met soms

 

het geluid van een

schelpenpaadje

in de zon

 

blauw de wolken

en op de ijssel

de eerste boot

 

 

Maritgen Matter, geboren in Zutphen op 21 mei 1962, werkte jarenlang als illustrator en vormgever voor bladen als Avantgarde, Psychologie en Viva, voor ze in 2002 haar eerste kinderboek schreef, Schaap met laarsjes, geïllustreerd door Jan Jutte. Matter kreeg er in 2003 een Zilveren Griffel voor en in 2004 de Deutsche Jugendliteraturpreis. In 2005 verscheen er een vertaling in het Zweeds (Fär med stövlar) en in 2009 volgde een Spaanse vertaling (Oveja con botitas).

 

Tijdens de laatste jaren van het VWO schreef Laura Broekhuysen (Zutphen, 23 april 1983) het jeugdboek Zand erover, dat in 2002 bij Lemniscaat verscheen en bekroond werd met een eervolle vermelding van de Zoenjury. Zij studeerde viool aan het Conservatorium van Amsterdam en volgde de schrijfopleiding Writing for performance aan de theaterfaculteit in Utrecht. Tijdens het conservatorium werkte zij aan de roman Twee linkerlaarzen (2008), haar debuut voor volwassenen, dat Querido publiceerde in dezelfde week dat Laura afstudeerde als violist. Twee linkerlaarzen werd genomineerd voor de Selexyz debuutprijs en voor de tweejaarlijkse Vrouw & Kultuur DebuutPrijs. In 2011 volgde de roman Hellend vlak. Laura Broekhuysen woont in IJsland. In 2016 publiceerde zij Winter-IJsland. Mijn eerste jaar in een verlaten fjord.

 

 

Marcel van Driel, geboren in Arnhem op 4 februari 1967 maar opgegroeid in de Zuidwijken van Zutphen, debuteerde in 2002 met Een elfje in de sneeuw, een kinderboek, en schreef sindsdien al vijftig boeken op zijn naam, voornamelijk voor kinderen. Enkele titels: Straatwijs (2004), Cowboy Roy (2006), Een huis vol herrie (2009). De internetthriller Subroza.nl (2007), een jeugdboek dat ook op internet te spelen is, met in de hoofdrol Sander de Heer, kreeg in 2010 een vervolg in Subroza2.nl.

Van Driels grootste succes is de inmiddels uit vier delen bestaande Superhelden.nl-serie, opnieuw een jeugdthriller gekoppeld aan een online game, waarvan deel 1 in 2011 uitkwam. In Nederland werden er al meer dan 40.000 exemplaren van verkocht. In Duitsland kwamen ze ook uit, daar heten ze Pala. De prentenboeken rond Bino de sneeuwwitte pinguïn die hij samen maakte met illustrator Vera de Backker verschenen in 2013 in China, Thailand, Vietnam en Turkije.

In 2017 verscheen de bovennatuurlijke thriller Nachtmerrieman, zijn eerste roman voor volwassenen.

 

 

-Dichter en beeldend kunstenaar Scipio Hamming, geboren 12 november 1938 in Hellendoorn als Herman Hamming, was van 1990 tot 2014 fractievoorzitter van de door hemzelf opgerichte Stadspartij Zutphen en namens deze partij lid van de Zutphense gemeenteraad, in welke hoedanigheid hij professioneel voortzette wat hij, als voormalig Provo, toch al deed: zich verzetten tegen de gevestigde orde.

 

Klassiek

 

Als iemand zich de laatste tijd

in foyer of sociëteit, ondanks

alle publiciteit, presenteert

als klassiek homeopaat,

denk ik aan Jantje Vanderstraat,

de plat Amsterdams sprekende

leraar oude talen, bijgenaamd Renegaat.

(Elk die hem sarde stierf roemloos)

Op het gymnasium te Z. heeft hij

het stempel van zijn stem gezet.

Hij las Sappho met tongval van Tante Leen,

Ovidius met snik van Johnny Jordaan.

 

 

Arwout van Loon, geboren 30 september 1956 in Tilburg, werkte jarenlang als geodetisch ingenieur, tot de literatuur het uiteindelijk won. Van 1995 tot 2007 woonde hij aan de Henriette Polaklaan 16 in Zutphen, waar hij zijn eerste roman schreef: De bekerbron (2004). Na zijn verhuizing naar Rheden, waar hij een The Read Shop heeft, volgden nog de historische romans Herborch. Een dag uit het leven van Herman van Steenre (2010), De broche (2012), De Pythagoras profetie (2012), Else. De gouden eeuwigheid (2014), Ziek zijn is een keuze (2016).

 

 

Filosoof en psycholoog Martin Olden, geboren op 15 juli 1946 in Den Haag, geeft cursussen en lezingen over oosterse en westerse filosofie, psychologie en de Indiase cultuur. Behalve een Reishandboek India (1998) en Reishandboek Goa (2001) schreef hij de jeugdroman PsychoThom (2005). Martin Olden deelt zijn naam – en zelfs zijn gelaatstrekken – met de Duitse krimischrijver Martin Olden, die echter in werkelijkheid Marc Rybicki heet. Olden (de eerste) is oprichter van de Stichting Question Filosofie en woont in Zutphen.

 

 

 

Wibo Kosters (Zutphen, 1978) is performing poet. Hij stapte in 2005 vanuit de muziek over naar de poëzie en trad met ‘een microverhalende, surrealistische stijl’ op als poetryslammer. Hij won de Gelderse slam, werd Slampion van Enschede en eindigde als 4e op het NK Poetryslam, editie 2010. Zijn werk werd onder meer gepubliceerd in Op Ruwe Planken, Poëzie.gl, op Contrabas, Meandermagazine en in een aantal verzamelbundels. Samen met Pom Wolff, Amber Helena Reisig, Martin Aart de Jong, Martin Beversluis en Bjorn van Rozen maakt hij deel uit van dichterscollectief Hongerlief. Daarnaast organiseert hij met Coffee Together de Deventer editie van schrijfcafé Shut-Up & Write.

 

 

Hanz Mirck, geboren in Zutphen op 8 april 1970, was in 2007 en 2008 de eerste stadsdichter van Zutphen. De gedichten die hij in die hoedanigheid schreef zijn gebundeld in Met andere ogen (2008) en te lezen op de website dichterbijzutphen.nl. Mirck debuteerde als dichter in 2002 met de bundel Het geluk weet niets van mij, die werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. In 2005 maakte hij zijn prozadebuut met de roman Het godsgeschenk. Behalve als dichter en schrijver is Mirck is actief als vertaler, onder meer van de poëzie van de Ier Seamus Heaney, in 1995 winnaar van de Nobelprijs voor literatuur, en als muzikant. Zijn bundel Wegsleepregeling van kracht (2006) werd onderscheiden met de prestigieuze J.C.Bloem-poëzieprijs, die in 2001 in het leven werd geroepen voor de beste (vaak zo moeilijke) tweede dichtbundel. Andere winnaars van deze prijs waren onder anderen Hagar Peeters, Maria Barnas en Ester Naomi Perquin. Van januari 2014 tot januari 2017 was Mirck stadsdichter van zijn toenmalige woonplaats Apeldoorn, waar hij leraar Nederlands is aan het Veluws College Walterbosch. Inmiddels woont hij weer in Zutphen. In 2017 verscheen de bundel Drie steden, twee ogen, waarin zijn beste Arnhemse, Zutphense en Apeldoornse stadsgedichten werden verzameld.

 

Zutphense gezichten

 

Nu leef ik weer, de tijd stond zo stil

bij hoe ik gewichtig over mijn bestaan doe

Niersteensnijder, slager, kickboxer, jurist-

de ambachten die overleven – maar jij kijkt

 

alleen naar mijn ogen, ik hield mijn adem in

– het bleef donker tot jij kwam, kijk recht

in de eeuwigheid, anders zijn mijn straten

leeg, mijn huizen levenloos

 

De stad maakt ons zoals wij de stad maakten

zo traag, zo onstuitbaar, zij kijkt naar ons

en wij naar haar, zie mij

 

Wie na ons komen, onze huizen overnemen,

onze kunsten nabootsen, zij houden de stad levend

zoals jij bijvoorbeeld, het is goed dat je kwam.

 

 

Mariëtte Haveman, geboren op 10 april 1957 in Rotterdam, is sinds 1989 hoofdredacteur van het tijdschrift Kunstschrift, waarvan ze sinds 2003 samen met Annemiek Overbeek tevens uitgever is. Haveman schrijft over kunst en fotografie, onder meer in de boeken Over Fotografen. Koorddansers boven een gat in de markt (1992), Het feest achter de gordijnen. Schilders van de negentiende eeuw (1996) en Zwarte Rook. Over fotografie en steenkool (2003). Daarnaast publiceerde zij de romans De foto van Faye Finsbury (2008), De Vrouwenvanger (2010) en Het huis achter de wilgen (2015). Haveman woont in Zutphen.

 

 

In 2009 volgde hij Hanz Mirck op als stadsdichter van Zutphen: Ton Luijten (Wijchen, 10 maart 1939 – Warnsveld, 13 april 2015). Als Ton Tijler schreef hij tien jaar lang columns voor De Gelderlander, waaruit een selectie in boekvorm verscheen onder de titel Geen licht en ook geen achterlicht (1985). Verder publiceerde Luijten onder meer de novelle Knikkers in het landschap (1991), de  samen met Frits Smit geschreven detectiveroman in briefvorm Beste Ernst (2003) en de poëziebundel Blauwe kustlijn (2006). Luijten was redacteur van het literaire tijdschrift Poëziepuntgl en trad regelmatig op als presentator van poëzieavonden in theater Luxor. In de voetsporen van Ida Gerhardt en H.C. ten Berge bezocht Luijten de:

 

Kloostertuin

 

Waar het gras naar wierook rook

en dominicanen hun breviergang deden

nu voetgangerssluis naar het station

 

Weleer bezongen

door twee laureaten

Ida doolde er

Hans zag er een Italiaan

 

Vanuit de expositieruimte

van het Stedelijk Museum

zie ik op het groene bankje

twee schooljongens zitten

naast hun omgevallen fietsen.

Ze trekken om beurten

aan dezelfde sigaret

en kijken af en toe wat schichtig om zich heen

 

schraal geworden bomen

hebben hun blad laten vallen.

In een hoek

tegen de stenen muur

blaast de wind gevallen blad

vermengd met stukjes plastic en papier

in een kringetje rond.

 

De winter is hoorbaar nabij.

 

Luijtens stadsdichterschap resulteerde in de bundel Zutphen in strofen (2010). Leuk voor later (2014) bevat een selectie van de columns die Luijten in 2011-2013 schreef voor dagblad De Stentor.

 

 

Gerdien Verschoor, kunsthistoricus en directeur van CODART, het internationale netwerk van museumconservatoren van Nederlandse en Vlaamse kunst, schreef recensies voor De Volkskrant, essays voor onder andere Trouw, het Tijdschrift voor Slavische Literatuur en Ons Erfdeel, artikelen in kunsthistorische tijdschriften en tentoonstellingscatalogi en korte verhalen in onder meer het literaire tijdschrift Extaze. Zij woonde elf jaar in Polen en was cultureel attaché op de Nederlandse ambassade in Warschau. In 2011 debuteerde zij als romancier met De draad en de vliegende naald. In 2014 volgde een tweede roman, De kop van Oskar Wronski. Op haar website gerdienverschoor.nl staan een vijftal ‘IJsselverhalen’, zoals ‘Het geheime genootschap van vrouwen met gelakte duimnagels’: ‘Ze zijn (minstens) met zijn vieren en ontmoeten elkaar in café D. in het IJsselstadje Z.’ Ook het verhaal ‘Eend’, uit 2012, speelt in Zutphen:

 

Op een vroege zondagochtend stonden er twee mannen te wachten aan de voet van de toren. Geert, de stadsbeiaardier, met eelt op zijn pinken. Jannes, de brugwachter, met stekelhaar boven zijn brede voorhoofd. Hij keek naar de twee houtduiven die rondfladderden om de Wilhelminaboom. Zijn ogen dwaalden over het ’s-Gravenhof. Nu er geen auto’s meer mochten staan, was het een stuk opgeknapt. In de verte stampte een boot over de IJssel.
Vanuit de Lange Hofstraat kwam er iemand aanfietsen in een geel regenjack. Hij remde af en hief zijn hand op. Bennie, de uitbater van café Het Uitzicht. Hij zette zijn fiets op slot tegen de kerkmuur en voegde zich bij Jannes en Geert.
‘Op wie wachten we nog?’ vroeg hij, terwijl hij zijn jack los ritste en in zijn fietstas propte.

Verschoor, geboren 9 juni 1963 in Boskoop, woont in Zutphen.

 

 

Blaine D. Arden is het alias waaronder Anita Dapperens in het Engels romans en verhalen in het genre ‘queer romantic suspense and fantasy’ schrijft. Enkele titels: Color Me (2011), Aliens, Smith and Jones (2012), Legal Briefs (2013), The Fifth Son (2014) en de 4-delige reeks Tales of the Forest, bestaand uit: The Forrester, Lost and Found, Full Circle en Oren’s Right.

Als A.B. Dapperens publiceerde zij in 2015, ook in het Engels, de dichtbundel Matters of the Heart, waarover haar uitgever Cayendi Press-Queer Publisher schrijft: ‘Love can be sweet and bright as the sun sparkling on the waves, but under its surface lurk betrayal and despair in bottomless darkness. From innocent crush to losing a loved one, Matters of the Heart follows the ebb and flow of love and relationships through sweet and sour, and light and dark.’

Dapperens is op 22 december 1968 geboren in Zutphen, de stad waar ze, behoudens een paar kleine uitstapjes naar Brummen en Warnsveld, haar hele leven heeft gewoond en nog woont.

 

 

Annewietske Stavast, geboren 21 oktober 1961 in Zutphen, is beeldend kunstenaar. Daarnaast maakt ze ‘raamgedichten’: gedichten die op het raam bevestigd moeten worden met een zuignap. Een selectie van deze raamgedichten is als ansichtkaart verschenen. In 2011 verscheen Ik hou van, in 2014 gevolgd door de bundel Wiets op de fiets, beide met eigen illustraties. Ook illustreerde zij de kinderboeken Wouter en Jeroen en de juwelendieven (2007) van George Sindram en Rappe Robin naar de tour (2008) van Ad van Gils. Stavast woont in Zutphen en heeft haar atelier aan de Oudewand 47. Een van de raamgedichten gaat over:

 

De IJssel

 

De IJssel als zilveren lint,

slingerend langs kade en oever.

Aalscholvers duiken onder,

schepen varen voorbij

het is prachtig en…bijzonder.

 

 

Derde stadsdichter van Zutphen, in 2011-2012, was de in Tonden woonachtige Eke Mannink (1969). Mannink studeerde literatuurwetenschap in Utrecht en maakte jarenlang radiodocumentaires, ‘audioverhalen over mensenlevens’ en ‘wandelradio’ voor de KRO. Samen met dichter Sander Grootendorst verzorgt ze onder de naam Vlinderwerk een totaalprogramma op toneel met muziek, dans en poëzie. Samen schreven ze het verhaal Dagelijks Brood, dat in 2015 uitkwam bij de bibliofiele Brummense uitgeverij De Geiten Pers. In 2012 verscheen Manninks debuutbundel Ik schrijf je bij me, in 2014 volgde de bundel Vondeling en in 2016 de bundel MIN, verzen voor een vriendin. De gedichten die zij als stadsdichter schreef werden gebundeld in Stem van de stad (2013). Daaruit:

 

Nader tot Z.

  

Bij Brummen valt er niets nog te ontwaren.

Niet voor het oog althans. En in de lucht

hooguit zacht zínderen, een zucht verlangen.

Een hang naar oevers en naar varen.

 

Verder, in de velden rondom Oeken,

daagt aan de horizon een silhouet.

Hoge torens, sierlijk puntig, afgezet

tegen de wolken, die naar composities zoeken

en plaatjes maken als in prentenboeken.

Water, huizen, pleinen, straten, kerken

versmelten onder wisselende zwerken

in kant’lend tegenlicht tot schildersdoeken.

 

Vanaf de oever volgt het slotakkoord:

Een zachte glans van wit; de IJsselkade.

Zicht op de oude brug. En de genade

van het water.            Ongehoord.

 

Gedachten gaan al naar het ’s Gravenhofse oord

naar hoe de echo van mijn voetstappen klinkt tegen

de huizen van de Oudewand en in de stegen.

Naar ’t milde lamplicht dat in nonchalante vegen

de Berkelkade met een extra glans bekoort.

 

Te lang de Wijnhuistrappen niet bestegen

Te lang het Fluisterbootje niet gehoord.

Te lang niet meer gedwaald in lenteregen

door het Agnietenhofje – ongestoord.

Ik zie een schip, er speelt een kind aan boord.

Alles valt samen in de aanblik van dit mooie.

’t Stoplicht springt opnieuw naar groen, t’rug van het rooie.

Een echtpaar naast me straalt en lacht. We fietsen voort.

 

 

Sander Grootendorst (Amsterdam, 8 februari 1958) was tot medio 2015 redacteur van dagblad De Stentor, waarvoor hij tien jaar lang in de edities Zutphen en Lochem de rubriek ‘Langs Berkel & IJssel’ schreef, in 2011 omgedoopt tot ‘Stad & Land’ toen de edities Deventer en Salland erbij kwamen. Tegenwoordig schrijft hij als medewerker van de krant wekelijks een column over de natuur onder de titel ‘Natuurlijk Sander’. Samen met Eke Mannink vormt hij Vlinderwerk, dat poëzie combineert met muziek en beweging. In 2015 verscheen van hun beider hand bij de bibliofiele Brummense uitgeverij De Geiten Pers het verhaal Dagelijks Brood. In 2017 trad Grootendorst toe tot de uitgeverij als opvolger van de in 2016 overleden Hans Broer.

Grootendorst publiceerde de dichtbundels De dood evenmin (2002) en Veertig ezelsbruggetjes (2010). In 2015 verscheen zijn nieuwe bundel Zwemles voor de merel. Hij is los-vast lid van de Barockpuppies in Amsterdam en was redactielid van het Gelderse tijdschrift Poëziepuntgl (tot 2012) en het tijdschrift Monumentaal (tot 2017). Sinds 2010 schrijft hij een blog onder de naam Poëzielandschap. Voor De Stentor organiseert hij literaire boottochten over de IJssel. Over een van deze tochten schreef hij:

 

IJsselvaart

 

De ene dag er te lopen, de volgende dag er te varen.

De ene dag de schepen te zien verglijden, de volgende dag de oevers.

De ene dag was ik de enige, de volgende dag met velen.

Er voeren verhalen mee over steenfabricage:

lang vervlogen steen voor steen.

En over schaatsers in de uiterwaarden.

De koeien waren er nog, ze begraasden een schilderij van Jan Voerman.

De wind blies wolken in de microfoon.

Iemand zei: Kijk, in dat huis ben ik geboren.

Iemand zei: Kijk, dit boek gaat over de IJssel.

Langs de route vlagden de aalscholvers.

De kapitein en de vogels waren oude bekenden.

 

 

Tim Pardijs (Zutphen, 1978) volgde in 2013 Eke Mannink op als stadsdichter van Zutphen. Sinds 2008 publiceert hij gedichten in Trouw, Meander, De Gids (online), De Optimist, De Contrabas, Hard//hoofd, cv Koers en Poëziepuntgl. Hij trad op tal van festivals op, waaronder Dichters in de Prinsentuin, Onbederf’lijk Vers, De geest moet waaien, Manuscripta, Dichtersnachten en het Wintertuinfestival. Pardijs maakt deel uit van Duo Bagage & Amis, een gezelschap dichters en muzikanten dat chansons en poëzie combineert. Luisteraars van Dit is de Dag (Radio 1) kozen zijn gedicht ‘Broodje bevrijding’ als beste ‘Gedicht bij de Dag’ van 2011. In 2012 werkte hij mee aan een hertaling van het Middeleeuwse Zutphens Liedboek. Onder de vlag van poëzienetwerk Kopwit organiseerde hij literaire projecten in Zutphen. Met beeldend kunstenaar Wiets Stavast maakte hij de bundel Wouter (2015), een reeks van vijf gedichten met bijbehorende pentekeningen over een fictieve ambtenaar. Eind 2015 verscheen de bundel Dromen die aarde openbreken, over het leven in een vinexwijk. Met kunstenaar Wim van der Meij maakte hij de bundel Onder het prikkeldraad door (2017). Een van de gedichten die hij als stadsdichter maakte is:

 

Klik veur de Breure

 

Ik ben de bel die bengelt boven de Broederenkerk, te horen tot in de buitenwijken,

die topklok die de tijd om tien voor tien over de stad wegtikt,

voor de bestuurder die de wegbezuinigde bitterbal terugbracht op de bar,

de geluidsman die gromt om een weigerend gilijzer,

de zangeres die zonder aandacht zomaar doorzingt,

signaal dat de sloten van de stad gaan sluiten.

 

Ik stam uit 1772, al meer dan tweehonderd jaar tuur ik over jullie torens,

klater ik na de klik veur de Breure over de kale daken, maar in het Koelhuis

is er maar een minuut om je mening te geven over

een project waar partijen twee jaar over praten,

 

het zogenaamde liftpraatje. Loop eens in die lift naar later in,

waar ik terecht kwam in een klein kamertje, kom eens kijken naar de kakofonie,

vergeet het stemvee dat zich opstapelt voor de stemhokjes,

vergeet de stad geleid door leken

en zie wat ik zie, stenen stapelen is niet genoeg voor een sterke synergie.

 

Rond deze gangen gaat het om geloof, de wonderbaarlijke vermenigvuldiging van geld,

maar wie geven we dat geld nou graag in handen

naar wie luisteren we al dan niet laveloos.

 

Ik hoop dat jullie me altijd willen blijven horen dus laat mij maar lekker hoog hangen.

 

 

Suzanne Peters (Roermond, 30 april 1985) debuteerde op haar negentiende met het interactieve kinderboek De draak van Katibal. Sindsdien richt ze zich op ‘chicklit’ en publiceert zij in hoog tempo romantische ‘feelgoodromans’: Geheime liefde (2009), Schoon genoeg (2010), Zomerliefde (2011), Zomerflirt (2011), Zoektocht naar het verleden (2012), Dubbeldate (2013), Blijf bij me (2013), Min of meer (2014), Gebroken glas (2015), Exit USA (2015), Getekend (2016), Lily. Zomers in Frankrijk (2016), Zomerliefde (2016), Dubbeldate (2017), Daar zijn vrienden voor (2017). Peters woont in Zutphen.

 

Josha Zwaan, op 19 december 1963 geboren in Palmerston North (Nieuw-Zeeland), maakte haar entree in de literatuur via een aantal schrijfwedstrijden. Op haar achttiende was zij een van de winnaars van een wedstrijd van VIVA: erotische verhalen door vrouwen geschreven. In 2009 behoorde zij tot de winnaars van een misdaadverhalenwedstrijd van uitgeverij Pamac en van een wedstrijd van de Gelderse Schrijverskring in samenwerking met uitgeverij Kontrast. In 2010 verscheen haar debuutroman Parnassia, in 2013 gevolgd door Zeevonk en in 2015 door Dwaallicht. In 2016 publiceerde zij Zijspoor; Over een zieke zoon, wanhoop, troost en liefde. Naast fictie schrijft Zwaan ook essays. Zij woont in Zutphen en is als docent verbonden aan de Schrijversacademie.

 

 

Saskia van den Heuvel (Amersfoort, 12 maart 1964) schrijft sinds 2005 poëzie en maakte in 2013 haar officiële debuut met Misschien gebeurt er vandaag iets. De bundel kreeg een speciale vermelding van de jury van de C. Buddingh’-Prijs. In de categorie bundels ‘die de jury graag onder de noemer “sympathieke gekte”, “weemoed met een snufje absurditeit” of ook wel “absurditeit met een snufje weemoed” zou willen plaatsen […] viel Saskia van den Heuvel op met haar bundel Misschien gebeurt er vandaag iets. Haar toegankelijke, verhalende poëzie vol soepele, laconieke wendingen dwingt respect af, zeker in de eerste cyclus, waarin ze het leven van een vrouw van om en bij de dertig schetst, die een beetje neurotisch wordt van haar werkomgeving en de verwachtingen waaraan ze moet voldoen. Het levert grappige, milde kritiek op onze huidige maatschappij op.’ In de Volkskrant schreef Arjan Peters: ‘Natuurlijk blijft het mooi om een nieuwe dichter te ontdekken. Deze week las ik het debuut van Saskia van den Heuvel, Misschien gebeurt er vandaag iets […], het levendige verslag van een crisis: In het begin / was ik eenzaam maar later werd alles veel erger. De dichteres laat het hoofd niet hangen: Als je bij me was zou je niet weten wat je overkwam dus is het geweldig / je elders te zien floreren.’ Van den Heuvel woont in Zutphen.

 

 

Bas Steman, geboren op 4 april 1971 in Apeldoorn, is sportjournalist en televisiemaker, gespecialiseerd in wielrennen. In 2002 en 2003 schreef hij de ‘belevingsbiografieen Tinus! Tinus! Van anorexia tot goud over Leontien van Moorsel en Naakt in de orkaan over Ramses Shaffy. In 2013 publiceerde hij de wielerroman De aankomst. Hierin schrijft hij over de Ronde van Exel voor veertigplussers en beschrijft hij enkele personen uit Zutphen, zoals ‘de slager’ uit de Lange Hofstraat:

 

Juist voordat het weer begon te regenen stapte ik de slagerij binnen. De zaak was verlaten. In de vitrine lagen grote onversneden entrecotes en op grootte gesorteerde lamshaasjes, zoals je dat vooral in mediterrane landen treft. Alleen al de liefde waarmee de slager zijn waar had uitgestald loste onmiddellijk mijn intentie om ooit fulltime-vegetariër te worden. Zoals vaker was de geest zwakker dan het vlees. Vanachter de klapdeur naar de koelcel en het kantoortje klonk een hoog zoemend geluid dat me deed denken aan een tandartsboor. Het winkelmeisje kwam gehaast binnenstappen met een beker koffie. Ik trok mijn wenkbrauwen op:

‘Waar is ie?’

Blozend zei ze: ‘Achter, loop maar door.’

Het hoge gezoem werd sterker. Tot mijn verbazing trof ik de slager op zijn racefiets op een rollerbank. Half hyperventilerend trof ik meneer balancerend op de rollen tussen messenblok en slachtbank. Een hoofd als een rijpe vleestomaat, de kleine stroompjes zweet vormden een plasje water op de tegels. Slagersjasje was een vod aan een haakje.

‘Effe nog, nog drie minuten zwaar,’ hijgde hij: ‘kom zo!’

Hoofdschuddend liep ik terug de winkel in en deed ik mijn bestelling.

‘Ze bestaan nog, de echte gekken,’ zei ik tegen het winkelmeisje.

‘Doet ie haast elke dag, hoor. Als het even rustig is.’

Een paar minuten later kwam de slager de zaak weer in.

‘Van de week die beklimming in de Giro teruggezien?’ vroeg hij me monsterend met zijn uitdampende guitenkop. Door zijn trainingsjas en de om zijn hals geslagen handdoek kreeg hij iets van een bokser op weg naar de ring. Ik moest even nadenken. Beklimming in de Giro?

‘Heb je er nog niet naar gekeken? Staat op Youtube.’

De in het hart van de stad gevestigde biologische slagerij oogde weliswaar als een gewone slagerswinkel, maar had zich de laatste jaren meer en meer ontwikkeld tot een geheime ontmoetingsplek voor wielerliefhebbers.

Steman woont in Zutphen.

 

 

 

Frank Smaling, geboren in Zutphen op 3 september 1981, debuteerde eind 2013 met  Bloedstollend Zutphen, een bundeling van 73 verhalen – waarvan sommige eerder verschenen in het tijdschrift Zutphense Pracht – die de zwarte bladzijden uit de geschiedenis van Zutphen tot onderwerp hebben, van de steentijd tot nu. Het merendeel van de verhalen is gebaseerd op bronnenonderzoek.

 

 

Dat sportjournalist, columnist en schrijver Bert Wagendorp zijn succesroman Ventoux (2013) deels in Zutphen laat spelen, en niet in Groenlo, de plaats waar hij opgroeide en op 5 november 1956 werd geboren, heeft een puur literaire reden. In een interview met online magazine 8Weekly legt hij uit dat hij voor zijn verhaal meer ruimte nodig had. Wagendorp: ‘Er moest een rivier zijn, zoals die aan Zutphen ligt, want net als de tijd stroomt die voorbij. Het water verandert voortdurend en oogt tegelijkertijd altijd hetzelfde. Als je een foto maakt kun je er later niet aan afzien of die op een maandag of een donderdag is gemaakt. Zo is het met de tijd ook een beetje. Als de jongens in het verhaal achttien zijn gaan ze op een bepaalde manier met elkaar om. En als ze elkaar dertig jaar later weer tegenkomen heeft de tijd weliswaar iets met ze gedaan, maar afgezien daarvan is alles bij het oude gebleven.’ En dus brengen de vrienden Bart, de verteller, Joost, André, David en de aanstormende dichter Peter hun jeugd in Zutphen door.

 

 

Als je in Zutphen vanaf de Groenmarkt naar de Marspoortstraat loopt kom je na een paar honderd meter bij de rivier. Aan de overkant liggen de uiterwaarden, die ’s winters volstromen en soms bevriezen, zodat je erop kunt schaatsen.

Op een warme juliavond in 1980 zaten David, André en ik op een muurtje aan de stadskant over het water uit te kijken. Joost ontbrak, die was naar een zomerkamp voor jonge sterrenkijkers in Drenthe.

Wij volgden de schepen die voorbijvoeren. André lette op of er mooie vrouwen aan het roer stonden. Hij had het over een televisieserie waarin een mysterieuze waterzigeunerin met haar boot was aangekomen in een klein dorpje aan de rivier. Daar had ze een jongen ingewijd in de geheimen van de liefde. ‘Kan hier ook gebeuren,’ zei hij. ‘Elke dag kan ze hier aanleggen. En dan sta ik vooraan.’

Ik vroeg wat dat was, ingewijd worden in de liefde.

‘Dat je voor de eerste keer neukt.’

‘Ja, dat snap ik. Maar wat is daar dan voor geheims aan?’

‘Dat is geheim.’

 

Kinder- en jeugdboekenschrijfster Femke Dekker, geboren op 17 mei 1973 in Delft, debuteerde in 2003 met Joris en de Zonneprinses. Sindsdien volgden er jaarlijks een of meer titels, overwegend in het fantasy-genre, waaronder Vlinders droom (2007), de ‘Drakenstrijderstrilogie’ Drakenei (2006), Drakendans (2008) en Drakenvuur (2008), en De legende van de vuurvogel (2016).

Argadwyn (2014) en Fyrrlannor (2015), voor jong-volwassenen, zijn de eerste delen in de reeks ‘Bloed van Aldych’. Een pittig soepje en Keet met bubbels (beide 2015), Wringel wrangel wrek (2016), Stoffige streken en De tovertest (beide 2017) zijn de eerste delen van de reeks ‘Verhalen uit de Heksenkeet’. Dekker woont sinds januari 2013 in Zutphen.

 

 

J.B. te Boekhorst publiceerde de jeugdboeken De jacht op de kerstschat, waarvan tevens een Engelse editie verscheen (The Christmas Treasure Hunt), Rick Be Quick. De beste voetballer ter wereld, die niet voor Oranje wilde spelen (beide 2014) en Avontuur in de sneeuw (2017). Daarnaast schreef hij de thriller Jackpot: €3.000.000,00? (2016). Te Boekhorst woont in Zutphen, de stad waar hij op 9 juli 1955 geboren werd. Hij is zelfstandig grafisch ontwerper en uitgever en tevens freelance redacteur bij Omroep Gelderland.

 

 

M.K. Peta debuteerde in 2014 met de fantasy-thriller Vermist in Zwiep, het eerste deel van een zich in Schotland en de Achterhoek afspelende heksenserie die verder Agnes McDowell. Een nieuwe heks? (2015), Timothys opdracht (2016) en Honderd jaar gevangen (2017) omvat. M.K. Peta is het pseudoniem van Margreet Keijzer. Zij werd in 1954 geboren in Meppel en woont sinds 1974 in Zutphen.

 

 

Sanne Hekkelman maakte op haar veertiende haar schrijversdebuut met de jeugdroman Nieuw leven (2014), een boek over pesten, naar voorbeeld van haar idool Carry Slee. In 2017 volgde Sebastiaan, over het hebben van een kind met autisme. Sanne werd op 13 januari 2000 geboren in Zwolle maar woont al haar hele leven in Zutphen. Ze is de jongste schrijver op deze website. Heel bijzonder!

 

 

Anna Wiersma (1945), sinds 1998 woonachtig in Zutphen, werd op 1 januari 2015 benoemd tot stadsdichter van Zutphen, als opvolgster van Tim Pardijs. Zij was onder meer gids in de Walburgkerk en de Librije. Haar gedichten verschenen onder meer in bundels van uitgeverij Kontrast, Uitgeverij Poemtata (Belgie) en dagblad Trouw. In eigen beheer publiceerde zij de bundels Gedachtestroom (2009), Vleugels (2014, samen met kunstenaar Hemmechien Knip) en Enerverende stilte (2015). Zij sloot haar stadsdichterschap af met de bundel Stadsdiagonaal (2017). Wiersma werkte mee aan kunstroutes in Hummelo en Gorssel en het Poëziepad Plasmolen. Zij maakt deel uit van de dichtersgroep Kopwit in Zutphen. Over Ida Gerhardt schreef zij het gedicht:

 

Pegasus

 

Ik zie de scherpe blik van Ida

achter de brillenglazen,

in de vitrine.

Ik hoor het krassen

van haar pen.

Wanneer ik haar tot leven

droom, komt langs

met kwieke slagen

’t paard gevlogen, waarop ik

door haar verzen dool.

Ik sluit mijn ogen

en wacht ongeduldig

tot Asklepius’ haan

de dag aankondigt

die is aangebroken,

na een doorwaakte

juninacht.

 

 

Phebe Rasch, geboren in Zutphen op 1 januari 1986, debuteerde in 2015 met het kinderboek Het land van Morion. In 2016 volgde Prim, een roman voor young adults. Op haar website schrijft ze: ‘In 1986 ben ik geboren in Zutphen. De eerste vijf jaar groei ik op in oude binnenstad. Daarna verhuis ik met mijn ouders en zus naar een plekje aan de IJssel in Zutphen, met uitzicht over de uiterwaarden. In de winter dat ik zes ben, krijgen we een auto-ongeluk, waarbij mijn moeder overlijdt. Door een hersenkneuzing heb ik geen herinneringen meer aan haar en mijn vader wordt een vader en moeder tegelijk voor mij.’ Phebe Rasch is de dochter van Arno Bohlmeijer.

 

 

R.J. Alers (Maassluis, 28 mei 1956) studeerde Nederlands en werkt als redacteur in de educatieve sector. Januari 2016 maakte hij zijn literaire debuut met de roman In de schaduw van de Karawanken. Zijn reeds aangekondigde tweede roman speelt deels in Zutphen. Alers woont in Zutphen.

 

 

 

Mas Papo, geboren 18 november 1953 in Baarn, volgde in januari 2017 Anna Wiersma op als stadsdichter van Zutphen. Hij debuteerde met het gedicht ‘Strand’ in Kom op verhaal, digitaal, het Open Boek van Texel. In 2008 verscheen zijn roman De meikevers en in 2012 de dichtbundel Aanvaart. Van november 2010 tot maart 2013 was hij gemeentedichter van Bernheze. De gedichten die hij in die hoedanigheid schreef, zijn verzameld in de bundel Wat ons bezighield. Papo woont sinds najaar 2016 aan de Nieuwstad in Zutphen. Een van zijn eerste Zutphense gedichten ging over de nieuwe parkeergarage achter het station:

 

Ochtendlicht

 

Het is tegen achten

de auto moet weer worden weggezet

de tunnel door het Koelhuis om

ik zie mijn stad ontwaken

achter bij de Noorderhaven

 

een open deur verraadt het koken

voor een volle avond

stoelen en tafels bevrijd

van slot en grendel krassen

het zand dat zich verzamelt

door de bouw van het metalen paalwerk

dat stapsgewijs nadert

en waar eens mijn auto zal zijn

 

een open doolhof leidt mij

naar de gangen onderdoor

het zanderig schuiven en een krant binnen handbereik

de deuren ontsluiten prompt

rond de lijnen die ons van alle zijden

voorzien van drukte van belang

 

de geluiden van vegen, knijpen

van ijzeren duim en wijsvinger

en een goedemorgen geven

aan dat het weer begonnen is.

 

Mijn nieuwe stad, al eeuwenoud

toont zich in het ochtendlicht

de dag is daar.

 

 

Sabine Kars, op 27 maart 1971 geboren in Apeldoorn, publiceerde proza maar vooral poëzie, zowel online (Krakatau) als in verzamelbundels. Ze stond met haar gedichten op de planken van onder andere het Nederlands Dichters Podium, de OBA, Japoezzziea, VERS, Dichtersfeest Eindhoven, Ongehoord! Rotterdam, Juni Gedicht Amsterdam, Poëzie Gaat Door in Den Haag, festival Fabriek Magnifique en op poëziefestival Dichters in de Prinsentuin (eerste internationale editie: Land der Horizonten). Kars woont sinds najaar 2016 aan de Nieuwstad in Zutphen en werkt aan een eerste bundel.

 

 

André Beltman, politicoloog en onderwijzer, op 9 juni 1949 geboren in Zeist, debuteerde in 2016 met de autobiografische coming-of-age roman Gezocht: een vader, die zich afspeelt in de jaren ’50 in De Hoven, waar hij van 1950 tot 1971 woonde aan de Weg naar Voorst 19F.

 

 

 

 

 

 

 

 

Netty van Eeden, geboren 1975 in Kampen, debuteerde juni 2016 als kinderboekenschrijfster met Tim en Tobias bakken pannenkoeken. In 2017 volgde Tim en Tobias gaan uit logeren. Van Eeden woont sinds 2006 in Zutphen.

 

 

 

 

 

 

Wordt vervolgd.

 

Website van Hans Heesen, gemaakt door Noël Heesen