Zutphen in citaten, gedichten, teksten

-Aan een paal gebonden, werd hem de rechterhand waarmede hij de misdaad bedreven had, tusschen een gloeiend wafelijzer afgeschroeid, zonder dat hij eenig geluid liet hooren. Ja, hij maakte nog met de stomp een kruis en bewoog die, als wilde hij het volk daarmede zegenen. Even onbewogen liet hij toe, dat hem op zes plaatsen het vleesch met gloeiende tangen uit het lijf werd genepen. Daarna werd hij levend gevierendeeld, het hart hem uit het lijf gerukt en in het aangezicht geworpen, het hoofd afgehouwen en op een staak gezet achter ’s Prinsen woning; terwijl de vier deelen zijns lichaams op de bolwerken van vier der stadspoorten werden ten toon gesteld. Ook werden zijn goederen verbeurdverklaard. Dit alles was letterlijk volgens het vonnis. ’s Prinsen lijk werd terstond gebalsemd, en reeds den volgenden dag en nog twee dagen daarna, op een praalbed ten toon gesteld. Het geheele land was in rouw gedompeld; ja, zelfs de Spaansche legerbenden verfoeiden de misdaad; een Spaansch soldaat riep van den wal van Zutphen den onzen in de loopgraven toe: “Het was een schelmstuk, een schelm, die het aangeraden, volbracht en bevolen had, al kwam het ook van den Koning zelf.” – Bijna drie maanden lang bleef ’s Prinsen lijk boven aarde. Toen werd het met bijna koninklijke pracht ter aarde besteld.’

‘Verhaal ons iets van die begrafenis vader!’ zeide Louise.

P.J. Andriessen, De zoon van den zeerover

 

 

-Beter gelukte, ongeveer zes maanden later, de list van Francis Veere, die het bevel voerde over de Engelsche hulpbende. De schans tegenover Zutphen was door een Engelschman aan den vijand verraden. Veere besloot hem die te ontnemen. Negen soldaten, als boeren en boerinnen gekleed, vertoonden zich ’s morgens vroeg voor de poort met kaas, boter en eieren, die zij aan de soldaten verkochten. Eensklaps haalt een der gewaande boerinnen een pistool onder haar rokken vandaan, lost dat op de wacht en geeft het sein aan het krijgsvolk van Veere, dat niet ver van daar in een hinderlaag was verborgen, toeschiet en binnen weinige oogenblikken de schans vermeestert.

P.J. Andriessen, De zoon van den zeerover

 

 

De vrolyke openhartige minnaar

 

Een kluchtig lied, van de Zutphenze meysjes en constapels in haar guarnizoen, klagende over den slegten knap en hovaardy, enz.

Op een aangename wys.

 

Hoord gy Mastrigtze Kwantjes al,

    Wat ik u voor een Liedeken verhalen zal,

Wat ons in Zutphen komt gebeuren,

    Dog en wil wy daerom niet treuren,

Schept maer goe moed,

    Ia met der spoed,

Het verlof gaen ist dat het al verzoet

 

Alles wat men hier in Zutphen ziet,

    Is niet als armoe en verdriet,

Koude Karnmelk moeten wy eeten,

    Daer van zullen wy niet zweeten,

Zuerkool met Spek,

    Ie word schier gek,

Rundvlees krygen wy niet onder ons Bek.

 

Het is hier wel een aerdig Land,

    Men vind hier Oude Wyven in abondant,

Komt gy dan by een Zutphens Meysjen;

    Daer gy wild mee praten een reysjen,

Dan is’t loop aen

    En wild heen gaen;

Want wy kunnen der geen Mastrigts verstaen.

 

Zy zijn hovaerdig al met ‘er spoed,

    En dat op haeren Stroyen Hoed;

Plaesters aen het Hoofd zo groot als Handen,

    En daer bij nog zwaere Tanden,

Koeblonte Haer,

    Hebben zy te gaer,

Het is hier de Mode en het staet alzo raer.

 

Men ziet hier de Meysjes gaen,

    Met allerhande Hoepelrokken aen,

Daer mee zo gaen zy over de Straten,

    Schudde met haer Gat dat kunnen zy niet laten,

’t gat agter uyt,

    Net als een Fluyt,

De klungels hangen ‘er van ondere uyt.

 

’s Morgens als zij komen uyt de Weij,

    Al met haer Melk-Emmertjes aen haer zy,

Dan zo gaen zij zitten in ’t ronde,

    En zy gaen wat nieuws verkonden,

En halen strak,

    Genever uyt d’Zak,

En drinken het uyt op haer gemak.

 

Willen wy dan eens uit Wandelen gaen,

    Met een Zutphens Meisje, wilt verstaen,

’t Geld in de Beurs dat moet daer braef klinken,

    Want Bier dat willen zy niet drinken,

Een Bottel Wyn,

    Die moet daer zyn,

Scharretjes en Scholletjes en Nootjes voor Tryn.

 

Komen wy dan eens in ons Land,

    By de Mastrigtze Meisjes abondant,

Dan zullen wy daer van gaen vertellen,

    Van die Zutphensche Mademoisellen,

Barvoets zy gaen,

    Wild my verstaen,

Evenwel hebben zy ook Hoepelrokken aen.

 

Die dit Liedeken heeft gedicht,

    Het zyn de Constapels al van Mastricht,

Zy hebben het zeer wel gezongen,

    Ter eeren van de Mastrichtze Iongen,

Zy hebben ’t zeer licht,

    En wel gedicht,

Viva! Viva dan! Constapels van Mastricht.

Anoniem

 

 

-Uit 1591 komt ‘Een Loff-Liedt op de victorie van Zutfen ende Deventer’, dat is opgenomen in het Geuzenliedboek en gezongen kon worden ‘Op de wijse van een Meyliedt: Wilt nu met vreuchden leven, Droefheyt is, etc.’. Het memoreert onder meer hoe de schans bij Zutphen met een list op de Spanjaarden werd heroverd. Prins Maurits liet een aantal van zijn soldaten zich verkleden als boer en liet hen zogenaamd opjagen door zijn ruiterij, waardoor ze als vluchtelingen door de Spaanse troepen de schans in werden gelaten. Hierdoor konden de troepen in de schans overmeesterd worden.

 

Looft Godt den Heer verheven

    Die nu al heeft gegheven

Victory groot, sonder stoot

    Den Prins ons overhoot.

Wie heeft oock van sijn leven

    Ghehoort oft sien gheschreven

In corter tijt, seer subijt

    Soo menich mensch verblijt

Om dat in weynich daghen

    Veel wonders is gheschiet,

Twee steden die daer laghen

    Tot lijden end verdriet

Heeft Godt gegheven in ons hant,

    Seer abondant

Met een schans aen d’IJssel cant.

 

Het schijnen niet dan droomen

    Soot eerst is aenghecomen,

Den Oversten Veer, tot sijn eer

    Die was vroech inde weer,

Gheen tijdt die hy verquiste.

    Eer datmen yewers wiste

Dat ons ghewelt, was int velt

    Heeft hy int werck ghestelt,

Hy was niet lang verleghen

    En nam wel waer sijn kans,

Sijn Soldaten deed hy dreghen

    Sack end pack inde Schans,

Als hadden sy als Boeren ghevlucht,

    Hoort wat een clucht,

Hy creech die Schans sonder gherucht.

Anoniem

 

 

-Ende als grave Otten eersten wijf gestorven was, nam hi te wijf grave Wijchmans eenige dochter van Zutphen, geheten Zophie; ende mit deser dochter quam dat lant van Zutphen an dat lant van Gelre.

Cornelius Aurelius, Die cronycke van Hollandt, Zeelandt ende Vrieslant, met die cronike der biscoppen van Uutrecht

 

 

-Door de introductie van de safety, een lage fiets met twee wielen, kreeg het begrip snelheid concrete betekenis. Twee jaar later fietste een deel van de hbs-leerlingen in Zutphen naar school. De directeur noemde hen ‘fietsheertjes’ in tegenstelling tot de ‘boeren’ of ‘kaffers’, waarmee jongens uit de omliggende dorpen werden aangeduid.

Jan Bank en Maarten van Buuren, 1900. Hoogtij van burgerlijke cultuur

 

 

-‘De heer van Zuylichem’, zei hij, ‘heeft mij grof beleedigd.’

‘Laten wij het omkeeren, gij hebt hem grof beleedigd – neen, gij kunt mij niets wijs maken, ik stond aan de deur en heb alles gehoord; gij hebt hem een lakei genoemd, mais fi donc! Gij waart in Zwitserland, veel aardiger.’

‘Ik begrijp’, zei Eduard eenigszins kortaf, ‘dat gij zijne partij neemt. Ik wacht hem trouwens hier.’

‘Dan kunt gij lang wachten, hij is van daag den geheelen dag van dienst, en rijdt van middag met den koning naar Zutphen, om eerst laat, tegen het diner, weer op het Loo te zijn.’

Willem Hendrik de Beaufort, Prins of koning?

 

 

-Dagenlang hadden de mensen van Harreveld een onderwerp voor hun gesprekken, die weer begonnen met ‘ho is ’t mögeluk’ – ‘ho kan ’t bestaon’ – ‘wé zol dat edacht hebb’n’ en ‘onbegriepeluk’.

In Zutphen werd de freule gevangen gehouden in de stadsgevangenis, bijna in de schaduw van de eeuwenoude Sint-Walburgus, waarvan de oude muren ook in dit voorjaar weer rozig opfleurden achter de bloei van appel- en perenbomen, die met schuingewaaide stammen en kleurige kruinen de zuidzijde van de oude reus een weinig van zijn grimmigheid ontnamen.

Ben Bekker, De freule van Dorth

 

 

-In het stadje Zutfen leefde eens een verliefde onderwijzeres. Het was wat men noemt een stille liefde. Niemand zou er daarom iets van te weten zijn gekomen, ware het niet dat er in Zutfen een mensenkenner woonde, en dat was het hoofd der school.

Godfried Bomans, ‘Juffrouw Prillewits’, Sprookjes

 

 

Wat riep de Burgery tot Zutphen in de Poort?

Ick ben een Catholijck, ach! wilt mijn lijf verschoonen.

Reinier de Bont, Beleg en ontset der stadt Leyden

 

 

-Adeline behoorde tot een verarmd patriciërsgezin uit Zutphen, waar haar ouders leefden in een huis, zoowel te groot als te duur, te midden van de resten van een fraaien en kostbaren familieinventaris. De verkoop van een reeds eeuwen bestaande verzameling famille verte zou uitkomst hebben gebracht. Men deed het niet omdat men in zekere geslachten zekere dingen niet doet. Men pleegt liever zelfmoord, en, heeft men het toch gedaan, dan pleegt men den zelfmoord daarna.

De afkomst van Hugo van Delden was Adeline als modern meisje totaal onverschillig. Ze had hem meermalen voorgesteld een bezoek te brengen aan het huisje in Heerenveen, hoe afschuwelijk hij het haar had afgeschilderd. Hij antwoordde dat dat best kon wachten. Anderzijds liet hij zich evenmin bewegen tot een gezamenlijk bezoek aan Zutphen.

F. Bordewijk, Noorderlicht

 

 

-‘Mijn arm vaderland! hoe gaat ge dus verloren?’ riep van Brakel op smartvollen toon.

‘Omdat men zich op vreemde uitlanders betrouwt en voor goed acht, dat zij hier de wet stellen,’ sprak een krijgsman; ‘Roeland York ook heeft nu korts de schans te Zutphen overgegeven.’

A.L.G. Bosboom-Toussaint, De vrouwen van het Leycestersche tijdvak

 

 

-‘Hij is gevallen, Mylady! Hij is dood!’

‘Wie dood? Wie gevallen?’ spreekt Martina, met verbleekende lippen; want zij weet, dat er tusschen haar en dien man slechts van één sprake kan zijn.

‘Hij, dien ik zooeven roemde, als den nobelsten! Daar is eene schermutseling bij Zutphen geweest, en ze hebben sir Philip verloren!’

‘Kan het waar zijn, man? Hij! dus plotseling?’ vroeg Martina.

‘Of het kan, Mylady! Een musketkogel in de dij! O, dat die mijn verminkt rif had getroffen! Of het waar is! De ijlbode is dáár, die uit het leger is gezonden tot Mylord North, en die het vertelt aan allen, die het hooren willen. Maar dit zwere ik u: hij is gevallen, zooals hij geleefd heeft, als een ridder! Twee paarden onder hem doodgeschoten, en nog van het slagveld weggereden! Maar, mijn God! gij verbleekt zoozeer! Gij hebt dien heer dan wel liefgehad!’

A.L.G. Bosboom-Toussaint, Leycester in Nederland

 

 

-Op de dag van vertrek uit Deventer is het koud, het regent en er staat een harde westenwind. De broeders in het gasthuis zeggen: ‘Blijf nog een paar dagen, Arnoldus, dit is geen weer om de lange reis te beginnen.’

De oude pelgrim lacht. ‘Als wij onze pelgrimage steeds uitstellen is er niet genoeg tijd in het leven om haar te voltooien. We moeten weg, God zal ons beschermen.’

‘God behoede u, goede reis!’ roepen de broeders.

De twee pelgrims stappen de poort van het gasthuis uit. Hun broodtas is goed gevuld, Albert trekt de capuchon van zijn warme mantel over het hoedje van Jurgen heen.

Achter de ramen van het gasthuis kijken de bedelaars naar het vertrek van de pelgrims. Albert voelt zich verdrietig, het is alsof hij zijn huis verlaat. Op reis gaan is helemaal niet zo leuk.

Buiten de stadspoort slaat de regen hen hard in het gezicht. Ze komen maar met moeite vooruit op de modderige wegen.

‘Vandaag lopen we naar Zutphen,’ zegt Arnoldus. ‘Daar is ook een gasthuis, waar pelgrims welkom zijn. Het is niet zo ver,’ lacht hij. ‘Een klein wandelingetje om aan de tocht te wennen.’

Nanne Bosma, De troubadour van Carcassonne

 

 

-Beste mama! onze goede Johan heeft mij wel het een en ander van papa verteld, maar toch nooit zijn heelen levensloop. Och, lieve mama! leer ons dien toch eens kennen, dan kunnen we morgen de gedachtenis van vader veel beter vieren.

Deze vraag maakte Mevrouw van Halden’s oogen wel weêr vochtig; maar nu met tranen van genoegdoening, daar zij wist in haren man een echten krijgsman bezeten te hebben, met een trouw hart en een edel gemoed. Zij wilde ook gaarne het overige van den avond aan zijn aandenken wijden, en het was haar alzoo welkom dat Willem dus sprak. Margaretha nam haar gewone plaats in, en Willem zette zich naast zijne moeder.

Mevrouw van Halden gaf een verhaal, zoo als het voor hare kinderen passende was; wij zullen ’t hier met onze woorden doen volgen, met bijvoeging van het een en ander dat tot het juist begrip der geschiedenis noodig is.

De vader van Margaretha en Willem was de eenige afstammeling eener voorname Geldersche familie. Hij was te Zutphen geboren. De oude Baron van Halden bezat in de nabijheid dier stad een aanzienlijk, rentegevend landgoed, dat evenwel het éénig overblijfsel van vroegeren rijkdom was; zoodat de familie van Halden niet eenen staat konde voeren overeenkomstig met haren ouden adel.

J. Brand, Het overlevings-contract

 

 

Door het grote leeftijdsverschil trokken mijn zus en ik zelden samen op. Toen ik net in de eerste klas leerde lezen en schrijven, ging Marianne al naar het Stedelijk Lyceum in Zutphen. Terwijl zij in een Brigitte Bardot-jurk en op hakken naar feestjes ging, luisterde ik op de radio naar Paulus de Boskabouter.

Jan Brokken en Petra Kersten, Johnny Remember Me. Zomer in Eerbeek, een geïllustreerde briefwisseling

 

 

-In de meidagen van 1940 vocht Elburg, die in 1937 in militaire dienst gegaan was, mee bij de IJsselbrug bij Zutphen. Tegenover zijn legereenheid lag de Standarte Adolf Hitler. Elburg vertelde dat hij toen met enkele kameraden door een groepje Duitsers omsingeld werd en daarbij een schampschot kreeg. Elburg: ‘Op een gegeven moment voelde ik een schok en merkte ik dat er langzaam een vochtige plek ontstond. Ik dacht: “Ik ben gewond”, maar dat bleek helemaal niet het geval te zijn. Ze hadden mijn veldfles lek geschoten.’ Hij werd hierna krijgsgevangen gemaakt en in Pommeren in Duitsland bij een spoorlijn te werk gesteld. Begin juli 1940 kwam hij in Nederland terug.

Piet Calis, De vrienden van weleer. Schrijvers en tijdschriften tussen 1945 en 1948

 

 

-’t Was in die dagen een voorrecht hem nog eens weer door een gesprek over zijn werk een oogenblik te kunnen opwekken, hem het gevoel te geven dat hij nog denken kon, nog spreken kon, misschien nog wel weer zou kunnen arbeiden, voltooien wat daar nog onvoltooid lag in zijn werkkamer. En wien dit voorrecht te beurt viel, die zal nooit vergeten den dank zijner omgeving, den handdruk van den lijder, die nog éénmaal, daar ginds, in het kalme hoekje der rustigste natuur, onder het zacht geruisch der zware eikenboomen, te midden van zijn schat van boeken, een uur lang de illusie kreeg en gaf van herlevende kracht, van mogelijk herstel.

Maar thans is alles voorbij, alles, ook dit smartelijke, dit onvolkomene, dit hulpbehoevende van den laatsten tijd. En nu het oog der vrienden niets meer vindt dan, op het stille kerkhof te Zutphen, een gesloten graf, en ginds, op den Velhorst, de ledige stoel in dat ruime vertrek dat zijn weemoedige hoop en de trouwe liefde der zijnen nog eens tot een echte ‘studeerkamer’ gewijd hadden, – nu enkel een droevige bedevaart naar graf en woning de vroolijke bezoeken van vroeger kan vervangen, nu rijst met stille waardigheid voor de herinnering van vrienden, leerlingen, lezers, hoorders, van ouderen en jongeren, het beeld op van dien grooten leeraar, dien spreker, dien kunstenaar, niet aanstonds in al zijn

Frans Coenen, Bleeke levens

 

 

-Ziezoo! u moet dan weten dat we van Doesborgh naar Zutphen zijn gegaan, bij een Neef en Nicht van Koendert die een kommenij hebben, zonder kinderen; meer om wat om handen te hebben dan om den broode, want Esboom heeft van UE weet wel, en Doortjenicht – een beste vrouw – kan er van haar zelves ook zijn. Wij waren er met veel plezier en zijn op een dag heen en weer naar Hetloo geweest in een knap wagentje en naar de Laatste Stuiver meer dan eens en ook naar het gesticht van Mettree. Zie mijnheer, het is misschien kinderachtig maar ik kreeg de tranen in de oogen toen ik al die spullen en die bloeien aanzag, die voor tijd en eeuwigheid worden behouden; ‘k ga graag naar een komedie en ook wel graag naar een paardenspul, maar ‘k verzie op dat Mettree nog liever een rijksdaalder dan in die spullen drie kwartjes. Ja, mijnheer, het is een mooi en heerlijk gesticht, zoo als ik wenschen zou dat er een paar dozijn in het land waren; maar ziet u, in Zutphen zelf is nog een ander gesticht dat ook heel nuttig en, helaas! ook ekstra noodig is, maar toch aan vreemdelingen, zoo als Koendert en ikke, een naren indruk geeft. Ik meen het onnoozelen- of krankzinnigenhuis. Esboom, woonde er dicht in de buurt, en zoo zagen wij alle dagen een heelen troep van die ongelukkige menschen voorbijkomen die, óf met geleiders gingen wandelen, óf van minder allooi, naar het land gingen werken, buiten de stad. Voor geen duizend gulden zou ik er alleen, zoo een zijn tegen gekomen.

J.J. Cremer, Egodocument

 

 

-Na den maaltijd was er nog ’t een en ander te bepraten.

Kees, een der knechts, zou um vier uur met ’t kerreke kloar zin, um den boer en zien zeun naar ’t stoarsion op de Vêluw te voaren.

Moeder Grietje pakte pruttelende den boerenreiszak met ’t zilveren slot, en Gerrits laatste woorden waren voor dat hij insliep: ‘Nee, dat wi’k d’r nog is van hebben; ’k zie overal gewêst: in Oarem, – in Nimwêgen, – in Zutphen, overal! moar in Amsterdam – nee! dat spul wi’k ook is zien!’

J.J. Cremer, Een Betuwsch landman met zijn zoon op reis naar de Amsterdamsche Kermis

 

 

-Nog veel verhaalde ons de heer Polle en ik werd er naar van om ’t hart. Letterlijk moet de schoone juffrouw door haren hartstocht in twee jaren tijds als verteerd zijn, en toen zij stierf, was zij bijna onherkenbaar geworden.

Twee dagen later zijn wij met Esboom en Doortje-nicht den weg naar Warnsveld op gewandeld, waarnaast het mooie kerkhof ligt; wij zijn erop gegaan en ik vond er ook een gloednieuwe zerk met de namen Mathilde Aleksandrina Van E. erop. Daar lag ze dan, en ik dacht aan de woorden van mijn zalige mevrouw: ‘Het kind wordt te ijdel!’ en ik dacht ook aan mevrouw Van E. die te verblind was om die schrikkelijke ondeugd in haar kind te bemerken, en ik nam mij voor om dit aan uw krant of weekblad te schrijven. Ja mijnheer, als er zooveel door de meisjes in den spiegel wordt gekeken dan deugt het al niet; dan zijn ze op den weg naar juffrouw Mathilde, naar – ô! foei! ik kan er akelig van worden en wilde nog zoo graag eens aan alle mevrouwen met kinderen toeroepen: ‘Pas op, dat uwe meisjes niet te ijdel worden, één ligt er op het kerkhof te Zutphen en ’t was zoo’n mooie!’

J.J. Cremer, Brieven van Grietje Sluimer

 

 

-Haar taal was even keurig als haar verschijning en haar woorden schenen op straat nog deftiger te klinken dan in de winkel. Hij vroeg of zij, om te beginnen, een uurtje naar de Karseboom zouden gaan, buitengewoon gezellig en een keurige gelegenheid. Was hij waarachtig zelf de kale neet, die deze stadhuiswoorden sprak? Nou moest hij het toch ook niet te bruin bakken, want tenslotte, al zag zij er dan ook uit alsof zij helemaal door Hirsch was in elkaar gezet, was zij toch ook maar een gewone winkeljuffrouw. Noem jij een nicht van de baas maar gewoon, corrigeerde hij zichzelf. Hoe dan ook, hij had het zich nu aangehaald en hij moest zich er doorheen zien te slaan. Toen zij in de Kalverstraat liepen en de conversatie al wat vloter ging, werd hij opgewekter en durfde hij zelfs al een enkel klein grapje te maken. Alle begin was nu eenmaal moeilijk, maar als je ze aan het lachen kon krijgen, was je al een stuk opgeschoten. Een Griet bleef een Griet, al droeg zij dan ook vitrage voor haar gezicht en om haar polsen. Als hij maar eerst had uitgevist wat zij leuk vond, dan zou hij haar wel eens even laten zien wat voor een geschikte kerel hij was en dan ging alles verder als van een leien dakje. Toen zij in de Karseboom aankwamen, was hij al een stuk wijzer en wist hij dat zij uit Zutphen kwam, waar haar vader ambtenaar bij de belastingen was. Zij was nog niet zo lang in Amsterdam en woonde bij Akkermans. Het was niet om het geld dat zij voor winkeljuffrouw speelde maar zij wilde zelfstandig zijn, niet langer afhankelijk van haar ouders en bovendien verveelde Zutphen haar. Guus vertrouwde haar toe, dat ook hij het ouderlijk huis al vroeg verlaten had en daarbij dacht hij aan het kombofje van hun schuit, dat zo laag was, dat hij door het dak heen gegroeid zou zijn, als hij niet bijtijds was weg gegaan. Een mens moest jong de wereld in gaan, had zijn pa altijd gezegd, dan leerde je wat.

Maurits Dekker, Het merkteken

 

 

-IK zeg je, dat ’t advocaat Eigel is! En ik zeg, Pellewick, dat je ze allebei had moeten opvangen voor ze kans kregen een voet op de brug te zetten. Begrijp je ’t dan niet? Ben je dan zoo aartsdom, dat je ’t niet begrijpt? De Jonge Kreylhorst heeft den advocaat uit Zutphen gehaald en nou zijn we nog niet van dat zaakje hier af. Eigel is ’n slimmerd! Eigel is ’n oude rat. Eigel is….’

‘Ja, houd nu maar op,’ beet Pellewick z’n ambtgenoot Kalff toe.

‘’k Zou wel eens hebben willen zien, wat jij zou gedaan hebben, als je in mijn plaats hadt gestaan.’

N.W. van Diemen de Jel, De heks van het Colenbargerbroek

 

 

Onder dit gesprek werd de kamerdeur geopend; de Vreemdeling tradt binnen, gekleed in krygsmans rouwgewaad, met een licht in de hand. Hy zette zich tegen over courtenay, in zulk een stand, dat het licht steeds op zyn gelaat scheen. Edward schrikte op die vertooning. – ‘Herinnert gy,’ sprak de Vreemdeling, ‘u den Officier niet, die aan uwe zyde gewond werd in den Slag by Zutphen?’ – ‘Myn god,’ riep Edward uit, ‘kan het Clifford weezen!’ – ‘Dezelfde, myn Vriend! dezelfde -’ was het antwoord, ‘schoon gemoedszwaarigheid de trekken des ouderdoms op myn gelaat gedrukt heeft. Gy ziet, Courtenay! den ongelukkigsten, den ellendigsten der menschen!

Dr. Drake, De Abdij van Clunedale

 

 

IJsselglijden

 

Aan boord van het motorpersoonschip Organza

laven we ons aan uiterwaarden en zicht op gevogelte

zo nemen we waar de eend, de aalscholver, de gans

de meeuw, de zwaan en al wat verder vliegt

 

over het groene land dat aan dit water grenst

ach, hoe leeg de rivier, hoe ijdel ons vermaak

glijdend over de IJssel van Deventer naar Zutphen

en in Zutphen weer terug, het heen en weer

 

is aan pontschippers en ons want ook

al wat vliegt en zwemt, de baars, de snoek

de voorn, de karper en de gespekte tjiftjaf

lomen zich in en op en boven de wateren voort

Bart FM Droog

 

 

-Eergister – Maandag 15 – sprak ik in Zutphen. Ik logeerde bij de familie Mulders. Een lief gezin, winkelier in luxe-artikelen – vijf kinderen. De man zeer ontwikkeld en beschaafd. Van goeden smaak, collectioneur van oude boeken en teekeningen. De vrouw een zeldsaam mooye blondine, nog jong, ondanks de vijf kinderen. En zij huisden in een kamer waar nooit een zonnestraal in doordrong. En de kinderen speelden op een plaatsje met grind, waar ook nooit zonlicht in viel.

De leezing was als alle leezingen den laatsten tijd. Stampvol, geestdriftig en hartelijk. Ik moet toch wel dankbaar zijn. ▫

Ik ondervind zooveel hartelijke waardeering. En ik kan ook zooveel vriendelijkheid bewijzen. Dat doe ik zoo graag. Vooral als er kinderen zijn. Dan ben ik dankbaar en gelukkig. Ze denken dan nog lang aan mijn bezoek.

Frederik van Eeden, Dagboek 1922

 

 

-Van morgen was ik drie uuren in Zutphen en zag de stad en de kerk. Ik verheugde mij er oover dat deeze kerk ten minste goed onderhouden werd en niet zoo schandelijk bedorven als veele protestantsche kerken. Ik zag de teekening van de plattegrond in de vorm van een mensch, en de plaats van de preekstoel oovereen koomend met de plaats van het hart, onder de linkerarm. Want de godsdienst moet uit het hart koomen, niet uit het hoofd. ▫

Ook trof mij de oude oopenbare leeszaal, met de prachtige incunabelen, een uniek instituut in ons land. ▫

Ik zag het stille, vreedsame stadje, aan de blanke rivier, waarin de Berkel stroomde als zij-rivier, en het was prachtig, en mijn hart vervuld van de vroomheid der Kerk bouwers. ▫

Ach, wat zijn wij van hen afgeweeken.

Frederik van Eeden, Dagboek 2 maart 1917

 

 

-Over het algemeen moet men zeggen, dat Napoleon zich wel eenige moeite gaf, om een goeden indruk bij de Hollanders achter te laten. Op de audiëntiën sprak hij tot personen en commissiën op welwillenden schoon altijd wat brusken toon, en scheen naar al hetgeen hem in het belang van ’s lands welvaart of ter bevordering van kunst en wetenschap aanbevolen werd met belangstelling te luisteren. Alleen den Generaal Kraijenhoff, dien hij wist, dat op het einde van Lodewijks regering tot wederstand tegen Frankrijk en zelfs tot gewapende verdediging van Amsterdam aangedrongen had, bejegende hij aanvankelijk met groote ruwheid; gelijk hij reeds vroeger tegen de Katholijke geestelijkheid in Noord-Brabant hevig uitgevaren was, omdat deze het onnoodig geacht had in plechtig ambtsgewaad vóór hem te verschijnen1). In de meeste steden, waar hij zich een poos ophield of ook zelfs bloot doortrok, schonk hij niet onaanzienlijke giften aan de armbesturen en werden op zijn bevel levensbehoeften en wijn bij wijze van loterij aan de behoeftigen uitgedeeld. Reeds bij de eerste intrede in het land deed hij aan een paar arme visschers, die hem met zijn gevolg over ’t Zwin gebracht hadden en die één gulden voor de persoon als veergeld eischten, honderd Napoleons uitreiken en verleende hun bovendien een jaarlijksch pensioen van driehonderd franken. Zulk een weldadigheid werd natuurlijk door de dagbladen breed uitgemeten. Slechts één enkelen nacht vertoefde hij in den Haag, dat sedert Lodewijks verwijdering meer en meer in verval was geraakt, en waar de volksgeest jegens den overheerscher ook alles behalve gunstig gestemd was. Het veroorzaakte den armen Stassard vrij wat zweetdroppelen om ook dáár den uiterlijken schijn van toejuiching te voorschijn te roepen. Niet minder moeite en zorg moest het bestuur in sommige steden zich getroosten, waar men in het onzeker verkeerde of de Keizer er zich al of niet vertoonen zou. De ijverige Maire van Zutphen met zijn adjuncten en gemeenteraad had te dien einde gedurende twee dagen en twee nachten post gevat op de grenzen zijner gemeente, en had er dus overvloedig tijd om zijn sierlijke verwelkomingsrede van buiten te leeren, die echter ten slotte geheel niet uit zijn zak kwam.

A.W. Engelen, Uit de gedenkschriften van een voornaam Nederlandsch beambte

 

 

-Ik was met het gezelschap van Zutfen gekomen per rijtuig (de trein ging toen niet verder dan Arnhem) en had met mijne collega’s in een waggon 3de klasse plaats genomen. O, die 3de klasse met open wagens, door zeilen afgesloten als een tentwagen, zal ik niet licht vergeten.

Rosier Faassen, Mijn leven

 

 

-Hoe gedragen zich advocaten in zulk een geval?

Of weenen vrouwen nooit – als ze op consult komen bij iemand met een officieel Mr.?

‘Is-die zòo slecht voor u?’, vroeg ik, m’n aanloopje nemend om ièts te zeggen.

Zij knikte snikkend – de zuster antwoordde:

‘Slècht,’ zei ze het woord pootig naar mij terug rakettend: ‘’t is ’n làmstraal!’

‘Loop van ’m wèg!’ begon ik als gevoels-idioot te adviseeren – de wetenschappelijkheid ontbrak.

‘Kan niet, meneer,’ zei de naaister: ‘ze hebbe ’n kind en ze hóúdt van ’t kind…’

‘’k Laat me méissie niet in de steek,’ zei de lichtschuwe juffrouw onder d’r zakdoek.

‘Ja dàn….’, aarzelde ik bête.

‘Hij sláát d’r,’ zei de naaister weer, ernstig naar mij knikkend.

‘Sla ’m terug!’ ried ik vinnig.

‘Dat dùrft ’t mirakel niet,’ zei de naaister, wederom me beknikkend met ’n meelijdend hoofdschudden, alsof ze wijders wou zeggen: hij most ’t met mijn is probeere!

‘Nee,’ sprak de lichtschuwe, d’r oogen drogend en sufjes starend naar m’n pantoffels: ‘ééns heb ’k ’m werom wille slaan, maar toen werd-ie zóó gemeen – néé – néé – ’k wil in vrède van ’m af’….

De angst, de vage ingevreten angst voor den màn lei ’r op ’t rood-behuild gezicht.

Ze was leelijk, bleek-burgerlijk, ’n juffrouw met spitsen neus, scherpen mond, vele en saamsmeltende sproeten. Alleen d’r zwarte oogen hadden iets liefs, van véél huilen, véél zorgen, véél tobben.

‘Heeft u getuigen?’, begon ik ernstig te informeeren. Van m’n boekenplanken nam ’k – ja je moet àlles hebben! – ’n Handleiding bij de studie van den Burgerlijken Stand door K.M. Houthaar, commies ter secretarie, belast met de werkzaamheden voor den burgerlijken stand te Zutphen, met eene inleiding van J. Kardux, commies ter secretarie te Deventer.’

Samen met de heeren Houthaar en Kardux poogde ik het lichtschuw vrouwtje te helpen.

‘Van wàt getuige?,’ vroeg ze, terwijl ik heele hoofdstukken van geboorte, overlijden, domicilie, huwelijksaangifte, huwelijksafkondiging, huwelijksvoltrekking, huwelijksnietigheid, enz. met rap vingerbeweeg oversloeg.

‘Getuigen als-die u sláát,’ zei ik studeerend.

‘Nee,’ zei ze gelaten, ‘dat doet-ie stiekum’…

Samuel Falkland, Mr. Samuel Falkland, Schetsen

 

 

-De nieuwe dijkweg komt uit op de Cortenoeverseweg. Noordwaarts liggen de uiterwaarden langs het pad Vogelensank met beken als Uitvliet en Oekensebeek. Onveranderlijk is het nog steeds het landschap van de IJssel met verspreide meidoorns en meidoornhagen, knotwilgen, waterlopen. Maar we maken hier de scherpe bocht naar rechts en nemen de brug van de provinciale weg N348 over de IJssel naar Zutphen. De torens, de kademuren en IJsselpakhuizen van de stad zijn al geruime tijd zichtbaar.

Dichterbij dan verwacht gaan we langs de rivier, komen aan in het plantsoen Helbergen, lopen nog verder en bereiken uiteindelijk via de Vispoorthaven het Vispoortplein, dan de Martinetsingel en tot slot de IJsselkade met zijn indrukwekkende IJsselfront, gedomineerd door de torens van de Sint-Walburgiskerk en de Broederenkerk.

Kester Freriks, Langs de IJssel. Natuur en cultuur in de IJsselvallei

 

 

-In Arnhem aangekomen, had de Pen, zoals eens Anna moest hebben gedaan, willen uitzien naar een schuit die hem naar zijn bestemming aan de IJssel kon vervoeren. Toen hij aan wal stapte, werd hij echter aangehouden. Een tolbeambte vroeg om zijn paspoort.

Had de koning – zoals die officier in zijn Parijse logement guitig had opgemerkt – geen paspoort nodig om het gebied van de Staten te betreden, met de Pen was het anders gesteld.

Bij gebreke van dit document werd hij aangezien voor een Franse spion, op slinkse wijze het land binnengekomen door zich onder vluchtelingen te mengen en op weg naar de IJssel om daar de Staatse defensielinies te verkennen.

Voorlopig werd hij ingesloten in een quarantaineloods op de kade. Daarin werden personen ondergebracht, vluchtelingen uit het Rijnland en andere reizigers van dar, die de rode loop onder de leden hadden, een ziekte die daar heerste en ook in Arnhem al slachtoffers had gemaakt.

Zijn medebewoners van die loods verspreidden de stank die met deze ziekte gepaard gaat, hetgeen de Pen herinnerde aan die fatale meimaand van het jaar 1666. Popelend van ongeduld om zijn pelgrimage voort te zetten, bezat hij zijn ziel nochtans in lijdzaamheid, gewend als hij was aan ongemak en kwalijk riekende verblijven.

Toen echter het leger van de koning Arnhem naderde en burgers van die stad de wijk begonnen te nemen, herkreeg de Pen zijn bewegingsvrijheid, aangezien degenen die de loods bewaakten eveneens de benen namen.

Aan de kade ontbrak het niet aan schippers die vaarten naar Holland aanboden, maar als de Pen Zutphen als bestemming noemde, schudden zij hun hoofd.

Uiteindelijk sloot hij zich aan bij een groepje lieden die eenzelfde passage zochten, en pas na lang parlementeren en kloven en bieden een schipper ertoe konden overhalen voor veel geld het lage water in de IJssel en de nabijheid van ’s konings leger te trotseren.

De vaart duurde ruim acht uur, door de manoeuvres die de schipper moest maken om ondiepten te omzeilen.

Op de linkeroever van de rivier heerste koortsachtige bedrijvigheid van Staatse militairen, bezig hun stellingen te ontruimen en zich terug te trekken om omsingeling te voorkomen. De Fransen waren, na de Rijn bij Tolhuys te zijn overgetrokken, de Betuwe binnengedrongen en, zoals gezegd, Arnhem al genaderd, vanwaar zij de Staatsen in de IJssellinie gemakkelijk in de rug konden aanvallen.

Op de rechteroever zagen de reizigers, ter hoogte van Doesburg, het tentenkamp van koning Lodewijk, die deze stad al belegerde.

Toen de Pen tenslotte in Zutphen voet aan wal zette, sprongen hem de tranen in de ogen, als bij een pelgrim die na een tocht door de woestijn de Heilige Stad voor zijn ogen ziet verrijzen.

Aart Groenewegen, Memoires van een musketier

 

 

-Mijn ouders brachten hun geschoren zoon met de auto naar ***wijk. Er was nog tijd voor een kop koffie in een café waar handelsreizigers, knoeiend met uitsmijters, harde plekken in de imitatie-Perzische tapijtjes hadden achtergelaten.

‘Na vanavond kun je zeker wel naar huis?’ Mijn moeder.

‘Nou … ’s kijken. Wat voor dag is het vandaag?’

‘Donderdag.’

‘Morgen naar Zutphen. Signeren in een boekhandel. Of voorlezen in de bibliotheek? Straks eens nakijken in het contract … Nee, voordracht ergens in een huiskamer, geloof ik, die op vrijdagavonden als literaire salon fungeert, onder leiding van een strenge mevrouw. Althans, aan de telefoon klonk ze streng … “De literaire salon van Coos Frielink”, kan dat? Nee, dat was eind jaren veertig…

A.F.Th. van der Heijden, ‘Dichters slaags. De lange mars langs de literaire cafés’

 

 

-Waar ligt Nederland?

Het schijnt dat Nederlanders hun eigen land gaan ontdekken. Wat ’n geluk. Nederland is namelijk het enige land dat nog niet ontdekt is. Spanje is ontdekt, Portugal, Griekenland en Frankrijk. Maar Nederland? Onbekend. Tenminste voor de Nederlanders. Neem nou Oldenzaal. Wie kent Oldenzaal? Vraag de gemiddelde Nederlander waar Oldenzaal ligt, en hij zal het niet weten.

Zutphen. Wie kent Zutphen?

Leo Herberghs, Stukken maken

 

 

-Ten tweede zal ik nooit een voorbijgaand pleiziertje van een paar menschen bederven, maar als je te laat hoort van een vent, die eerst een meisje emancipeerende lectuur geeft (Ideeën van M. etc.), daarna ze overhaalt ze in praktijk te brengen langzamerhand, zich niet te storen aan racontars en met hem (hoewel getrouwd) afspraakjes te gaan maken, haar dus in een onvruchtbare complicatie brengt, zijn vrouw forceert haar te ontvangen, de vrouw loopt weg naar haar ouders met ’t kind, hij spiegelt het meisje een huwelijk voor, hij laat haar ondergáán, dat na klacht van de vrouw ze – het meisje – gemarteld wordt door standjes van autoriteiten van de Telegraaf, door negaties van haar vriendinnetjes en dat alles om niets, tenzij omdat ze wat geld heeft en hij werkelijk gaat hopen langzamerhand, dat hij zijn vrouw zal kwijtraken, dat het meisje ongeveer weggejaagd wordt uit haar kosthuis en je die vent kent als een koue, cynische kerel, dan wil je daar wel wat aan doen, hè, als ze zoolang met Marie gewoond heeft en ze verleden jaar (wel een leelijk karakter) maar eigenlijk nog maar een scholier van 20 jaar was. In ’t besef van haar krankzinnig onmogelijken toestand en altijd een 200 menschen die haar blameeren om haar heen (tenminste Zondags, in de week is ze op een bijkantoor) heeft ze hem willen forceeren met haar naar haar familie in Zutphen te gaan, wat hij haar beloofd zou hebben (zeker om doodgeslagen te worden) maar in elk geval zij is er heengegaan en van daag kwam bericht, dat ze ziek te Zutphen ligt, wat misschien is doordat haar vader haar achter slot en grendel houdt om een beetje van de stadslucht te bedaren.

Ziehier, beste Wim, een relaasje, nu zul je ’t wel beter begrijpen.

Schrijf mij nu eens gauw en denk niet meer aan ’t wegraken.

Dag, de groeten aan Betsy,

je

Jan

Gerrit Jan Hofker aan Willem Witsen, 4 april 1896

 

 

-Marie is sinds gister voor eenige dagen naar Zutphen met kleine Jan. We zijn samen gegaan tot Amsterdam. Jantje zat over ons in een hoekje en tegen ons te lachen al dien tijd. Hij had thuis zijn fleschje gehad, zóó, dat hij er te Amst. weer een moest hebben. Dat fleschje hadden we te IJ. heel warm gemaakt en in een wollen doek in mijn zak. In de wachtkamer te A. moest ’t nog even wachten, omdat ’t nog te warm was. Toen heb ik daar een tweede fleschje heet gemaakt en in een doek gewikkeld. Dat moest hij even voor Zutphen hebben. Marie had een groote wollen doek gekocht en daar was hij bij ’t gaan van de trein naar wachtkamer enz. heelemaal in gewikkeld. Toen heb ik te A. een 1e klasse retour Z. gekocht, hun beiden in een dames gezet en den cond. een kwartje gegeven om ze te helpen, als ’t noodig was. Te Z. werd M. gehaald en stond een rijtuig.

Gerrit Jan Hofker aan Willem Witsen, 8 december 1898

 

 

-‘Dan moeten we nou nog bepalen, heeren, hoeveel reiskosten de juffrouwen moeten hebben (de boeren trekken een ernstig gezicht). Die uit Leeuwarden is de verste. Wat zou je denken, Berkhout, van tien gulden?’

Berkhout, de bij zijn naam geroepene, schuift zijn pet op zijn hoofd heen en weder, zegt een paar malen ‘ja’ en dan weêr ‘laat eens kijken’ … zwijgt drie minuten – kijkt in de lucht, zegt weêr ‘ja’, staart voor zich heen, zegt weêr ‘laat eens kijken’ en vraagt hoe Kralensteijn er over denkt.

‘Nou!’ sleept Kralensteijn dit woordeke langs zijn pijpensteel, terwijl zijn zwaarmoedige blik zich naar den burgemeester keert. ‘Zou tien gulden niet te veel zijn?’

‘Te weinig, meen je’ valt een andere boer in, die tegenover den melancholicus zit en zeer gevoegelijk als diens pendant kon dienen, zoo prettig en joviaal is zijn open, blozend, blond gezicht. ‘Te weinig, meen je,’ zegt Jaap Mantel, met een glimlach en een blik in ’t rond.

‘Te weinig?’ teemt Kralensteijn – ‘de dames reizen toch derde klasse – niet?’

‘Eerste!’ klinkt ’t van de overzij uit denzelfden mond, ditmaal met een luiden, hartelijken lach.

‘Je maakt er een grapje van’, gaat de zangerige stem voort, ‘tien gulden, daar kun je een heel eindje voor komen. Ik ben eens naar Utrecht geweest met mijn vrouw….’

‘Die betaalt dubbel’, roept de lastige rustverstoorder, en alle boeren schateren het uit, want Kralensteijns vrouw is de dikste uit de geheele streek.

‘Nou, burgemeester’, eindigt Kralensteijn zijn advies, zonder op den grappigen uitval te antwoorden, ‘ik zou meenen ’t kon wel.’

De beurt is aan Graftdijk.

‘Tien, zeg je?’ bromt Graftdijk, ‘tien’ herhaalt hij met rommelend keelgeluid. ‘Laat zien … eerst op Zutphen en dan op Utrecht! Van Zutphen naar Utrecht – dat zal zijn …?

J.H. Hooijer, Een examen te Harder

 

 

Annie Feller kwam met een geopenden brief in de hand de studeerkamer binnen, waar haar man voor zijn bureau zat te schrijven.

‘Hoor eens, August, ik kom je even wat vragen,’ zeide zij met blijde opgewektheid. ‘Ik krijg daar juist een brief van Louize Meerdonk. Verbeeld je, zij komen morgen over Duitschland van hun reis terug en moeten, daar er geen directe aansluiting is, zoowat anderhalf uur te Zutphen stilblijven. Weet je waar ik nu zoo’n vreeselijken lust in zou hebben?’

‘Neen, hoe zou ik dat weten.’

‘Wel, om morgen even naar Zutphen te sporen en hen daar te ontmoeten. Ik heb het spoorboekje al nagezien. Als ik om twaalf uur van hier ga, ben ik voor den eten weer thuis. Ik zou het heerlijk vinden! Zeg man, wil ik het doen?’

Cornélie Huygens, Hoogenoord

 

 

-Nu begon het op te schieten: 5 Augustus beëediging, audiëntie en lunch op Soestdijk, waar de Koningin verbleef. Na de beëediging 1½ uur met H.M. in Haar werkkamer gepraat. Maar het conflict bleef ook nu niet uit! Wij spraken over de politiek van De Graeff, ik betoogde daarbij, dat mij daarin niet hinderde zijn ethische en linksche neigingen, maar veeleer het in het gevlei komen van den inlander. Want, zeide ik, wij zijn tegenwoordig toch eigenlijk allemaal linksch vergeleken bij vroeger, Uwe Majesteit even goed als ik en iedereen. Dat was nu misschien niet voorzichtig gezegd, maar het was toch duidelijk een niets onbehoorlijks bedoelende gedachtenformuleering in een ernstig gesprek. Maar H.M. vloog op: Mijnheer De Jonge, ik verzoek U mij niet te qualificeeren; ik ben noch linksch, noch rechtsch; ik sta boven de partijen, ik heb geen meening enz. enz. Toe maar, dacht ik, daar krijgt de nieuwe G.G. een ongenadig katje; hoe dien tik behoorlijk terug te geven. Toen H.M. eindelijk zweeg, zei ik doodkalm: ‘Ja, als U.M. er geen meening op na houdt, dan is het vrij nutteloos hier staatszaken te zitten bespreken.’ Daarop ging H.M. uitleggen wat Zij eigenlijk bedoelde, wat ik natuurlijk best wist, maar ik kreeg nu de gelegenheid om op mijn beurt Haar uit te leggen, dat ik niet bedoelde Haar te qualificeeren. De conversatie kabbelde daarna weer door, maar wij zijn geen stap tot elkaar gekomen. Zij zond toch iemand uit voor 5 jaren om Haar te vertegenwoordigen op een zoo belangrijken post, maar geen woord van waardeering of aanmoediging; zoo koud als ijs.

Wat een verschil hiertegenover de houding van de Koningin-Moeder, door wie ik na de lunch speciaal werd ontvangen. Alles hartelijkheid en bezorgdheid. Bij het afscheid hield Zij mijn hand vast en legde toen Haar andere hand daarop. Ik had moeite om niet op een knie te zinken en mij over die lieve handen heen te buigen.

Het Nederlandse paviljoen op de internationale koloniale tentoonstelling te Parijs van 6 mei tot 15 november 1931, brandde in de nacht van 27 op 28 juni af, waarbij de inventaris grotendeels verloren ging. Het paviljoen werd herbouwd en opnieuw ingericht. De reis van de Prinses werd afgewimpeld. Zeer uit de hoogte deelde H.M. mede, dat daaraan voorloopig niet gedacht kon worden. Ik heb het groote belang er van toch nog even naar voren gebracht, maar dat was natuurlijk boter aan de galg. Ik vond het stom van de Koningin, daar ik overtuigd was, dat eenzelfde goede gelegenheid zich niet meer zou voordoen.

Intusschen zij erkend, dat de lunch voortreffelijk was. Wij waren er met ons vieren, mijn vrouw, ik en de 2 meisjes. Het was héél warm!

Maandag, 17 Augustus, zijn we dan eindelijk vertrokken, van Zutphen naar Parijs.

B.C. de Jonge, Herinneringen van Jhr. Mr. B.C. de Jonge

 

 

-Vrijdag 11 februari 1983

Voor het eerst op Deventer kunstijsclub van 15.30 tot 16.30 uur geschaatst met zuster Donny. Zij op noren en ik op mijn hockeyschaatsen. Begon met op mijn billen te vallen maar… opa krabbelde weer aardig op en reed zeker vijftien baantjes van 400 meter. Ol genoot samen met Frans in de kantine met chocomel en frites! Leuke sfeer! Veel kinderen (gelukkig) die (gelukkig) veel om handtekeningen vroegen. Prachtige weg terug langs Zutphen, dat daar statig aan de overkant van de IJssel lag. Leuke middag.

Wim Kan, De dagboeken 1968-1983. De televisietijd

 

 

-Voor den grap wil ik je nog even de geschiedenis vertellen van mijn schilderijtje te Zutphen. Daar de Secretaris mij die briefjes schreef eén of twee dagen voor de sluiting der expositie en aan mijn oud adres, kwamen zij natuurlijk veel te laat te Londen en mijn antwoord dus niet bij tijds. Nu, de tentoonstelling moest worden gesloten en de Commissie moest besluiten. Ze hebben het uitblijven van mijn antwoord op hun bod voor eene weigering aangezien – en mijn schilderijtje voor den vollen prijs gekocht.

Vindt je dat niet best?

Wat zullen ze op hun neus gekeken hebben toen ze later toch mijn brief kaart ontvingen. Zulke gevallen zullen wel zeldzaam wezen denk ik. Doe me weten als je verhuisd bent, waar je nieuw adres is en groet Blanche voor mij.

Johann Eduard Karsen aan Willem Witsen, juli 1889

 

 

-Nu waren Rudolfien en Frank alleen.

‘Nou, Rudi?’ vroeg Frank gespannen.

‘O, zoo heerlijk! Er kan niets van komen.’

‘Dus je blijft?’

Hij wreef de smalle, witte handen vergenoegd in elkaar en keek haar vol verwachting aan.

‘Ja, moeder is gisteren in Deventer geweest en verleden Woensdag in Zutphen en tante Eveline heeft nog aan een oude vriendin in Lochem geschreven, of daar ook een school voor me was. Maar ’t komt met trams en treinen allemaal even slecht uit. Wat een geluk, dat we toch in zoo’n achterhoek wonen, hè?’

Truida Kok, Rudi

 

 

-In het voorjaar van 1690 begreep dokter Thomas dat zijn pupil nog een jaar bij Pieter Adriaansz wilde en kon blijven. Hij meende dat de leerling nu wel zoveel zou kunnen bijdragen aan de praktijk dat honderd gulden kostgeld voldoende was, maar Pieter Adriaansz vond dat te weinig. Hij schakelde Guenellon in, die aan Locke (inmiddels weer in Engeland) liet weten dat de bijdrage van de leerling niet overschat moest worden in een land waar de chirurgie praktisch alleen door de meester zelfwerd verricht. Pieter Adriaansz wilde minstens tweehonderd gulden hebben. Guenellon liet weten dat Thomas Davys zeer graag wilde blijven en dat hij na drie jaar zeker een volleerd chirurgijn zou zijn, want hij deed erg zijn best. Dokter Thomas ging akkoord. Naast de instructie van Pieter Adriaansz volgde Thomas Davys ’s winters steeds een college bij Guenellon. Eind 1691 vertrok hij uit Amsterdam. Hij ging eerst nog naar Zutphen, waar hij manuscripten van Pieter Adriaansz over bevallingen afleverde, alvorens terug te gaan naar Engeland. Guenellon verzekerde Locke dat de jongeman zeer veel had geleerd en dat er het nodige van hem viel te verwachten.

Luuc Kooijmans, De doodskunstenaar. De anatomische lessen van Frederik Ruysch

 

 

Adonis

 

Als niemand de Adonis in je doodt,

dood die dan zelf. Zo oud als jij en nog

steeds ideale schoonzoon – geen gezicht.

 

Stap uit in Vijftig, stap daar uit zoals

je dat in, zeg maar, Zutphen doet,

en ga dan naar behoren ouder worden

en oud, met bril, buik, haar uit oor en neus,

elk jaar wat meer, en kom daar rond voor uit.

 

Maai het gazon en knip de heg op tijd

en koop een hond voor de gezelligheid.

 

Leg, het gemoed bedroefd maar opgewekt de geest,

die, zeg maar vijfendertig, jaren af –

al krijg je niet meer wie je hebben wilt,

de onderwereld van je huwelijk heb je nog.

Anton Korteweg

 

 

Hulde aan Zutphen

 

Hoe zoo snel het oord onttogen

Dat op milde gunst mag bogen

Der natuur, o Ysselstroom!

Eeuwen rezen, eeuwen zonken,

Maar gij zaagt hier Zutphen pronken

Als een parel aan uw’ zoom.

 

Laten vrij uw dartle baren

’t Oog ontgleijen onder ’t staren,

Golvend rollen langs uw strand;

’k Wil niet eindloos verder streven,

Maar geniet natuur en leven

In het schoone Gelderland.

 

Daar ontmoet ik allerwegen

Bronnen van genot en zegen:

Graanrijke akkers, hoog geboomt’.

Hemelsche oorden, waar ’t geklater

Van fontein en vallend water

Met verrukking ’t hart doorstroomt.

 

Maar – hoe de aanblik mij moog streelen

Van de schoone landtooneelen

Die dit heerlijk oord mij biedt;

Zutphen, waar mijn dierbre gade

In ’t genot der jeugd zich baadde,

Wijd mijn hart dit kunstloos lied.

 

Dierbre stad! wat milde zegen

Lacht mij reeds van verre tegen

Naadrend uwe aloude vest!

’t Is mij bij die reine weelde

Of mij de aard geen leed meer teelde,

En mij niets dan vreugd meer rest.

 

Ach! te traag rolt dan de wagen:

Hoe zich ’t vierspan moe moog jagen,

Nog te loom is mij zijn’ gang;

Daar ik onder gindsche daken,

Om het reinst genot te smaken,

Me in mijn’ vriendenkring verlang!

 

Was m’uw brug ten eind gereden,

Ik uw Marspoort ingetreden,

Weide langs uw markt mijn oog,

Liet zich ’t lieflijk speeltuig hooren

Van uw’ sieraadrijken toren,

o Dan steeg mijn blijdschap hoog!

 

’k Was wanneer zich ’t oog verlustte,

Daar het op uw bouwval rustte

Als er ’t licht der maan door scheen.

Vaak op wieken van gedachten,

In den tijd der voorgeslachten

En mijn eigen eeuw vlood heen.

 

Zonk er ’t licht des daags op neder,

’k Zag haar dan verdubbeld weder

Rijk met gras en mos begroeid;

’k Zag haar als eene eerboog pralen

Op den stroom, die moe van ’t dwalen

Zutphen door naar d’Yssel vloeit.

 

Hem wien ’t schoone diep kan roeren,

Moet dit tafereel vervoeren,

Waarbij ’t hart zoo veel geniet!

Hier, tot hoogen ernst verheven,

Vindt hij ’t schoonste beeld van ’t leven,

Waar de snelle Berkel vliet!

 

Zij, op vreemden grond ontsprongen,

Toont, tot Zutphen doorgedrongen,

Geldersch, ijvrig, zich van aard:

Hier, waar zij haar kracht wil gaderen,

Drijft zij zware molenraderen

Snorrend rond in snellen vaart.

 

Lieflijk streelt haar schuimend bruisen

En haar hartbetoovrend ruischen

Hier ’t gevoel door oog en oor!

Lang reeds dit tooneel ontweken

Naar niet minder schoone streken,

Is ’t mij nog als of ik ’t hoor!

 

Maar – wat kunstgewrocht der vaderen

(Wie kan ’t zonder eerbied naderen!)

Pronkt hier, wat ook zonk in ’t stof!

Statig rijst hier Walburgs toren

Bij de heilge tempelkoren,

Op het ruime ’s Gravenhof!

 

Sombre plek, waar ’t hof der Graven

(Die van hier hun wenken gaven)

Met zijn torenspitsen stond;

Waar zich pracht en praal vertoonde,

Vorstelijke grootheid woonde

En een hofstoet woelde in ’t rond!

 

’k Zie op u thans graven gapen,

Waar van strijd vermoeiden slapen;

Want van al uw majesteit,

Hoe zij ’t oog eens mogt verblinden,

Was sints lang geen spoor te vinden:

’k Voel hier mijn verganklijkheid!

 

’k Druk met dat gevoel den drempel

Van den Godgewijden tempel,

Vaak uit asch en puin hersteld.

’k Laat naauw ’t oog in ’t ronde dwalen

Of ik zie de Doopfont pralen,

Zoo als Neêrland één slechts telt.

 

Tracht ik alles op te delven:

Oudheid, schoonheên, grafgewelven,

Veel zegt mij ’t historieblad;

Maar te weinig en te duister

Van haar’ grootsten roem en luister:

Haar’ alouden boeken-schat!

 

Liet zich ’t zoekend oog verzaden

Bij een aantal kerksieraden,

Dan, om ’t heerlijk ver-gezigt,

Langs ontelbre treèn naar boven;

Van waar Zutphen met haar hoven

Diep, als in een afgrond, ligt.

 

Wie de Geldersche landouwen

Wil met éénen blik beschouwen

En op rein genoegen doelt,

Dwaalt van hier langs berg en dalen:

’t Oog ziet zich door niets bepalen,

Daar het hart zich zalig voelt.

 

Geldersch steden, dorpen, duinen,

Veluwsch groene bergen kruinen

Naadren hier ’t gewapend oog.

’k Zag hier d’Yssel kronklend woelen

En zijn’ vruchtbren zoom bespoelen,

Rustig turend van omhoog.

 

Vaak in vroeger, milder jaren

Had een mastbosch op haar baren

Zich voor deze wal vergaard;

Toen in alle wereld-oorden,

Zelfs in ’t afgelegen Noorden,

Zutphens handel was vermaard.

 

Lokte in ’t eind haar schoon mij neder,

’s Gravenhof ontving mij weder,

Dat ook ’t oude raadhuis draagt;

Waar ik naauwlijks ingetreden

Zutphen zag in ’t lang verleden,

Daar ’t den ouden kunstroem schraagt.

 

Welk een wellust mogt ik smaken

Als ik wandlend na ’t ontwaken

Me op haar hooge wallen vondt;

Waar van ’t schoonst verschiet omgeven,

Nog de Droogenap verheven

De oude kruin steekt uit den grond!

 

Soms in eenzame avonduren,

Wandlend langs haar grijze muren,

Werd mijn hart op ’t diepst geroerd:

’k Was in ’s trotschen Alva’s dagen,

Toen zij ’t gruwzaamst schouwspel zagen,

Eer ik ’t wist teruggevoert.

 

Ja, die wreedaard tuk op rooven,

Wist en staal en steen te kloven;

Baande hier zijn moordzucht spoor.

’t Is of thans nog ’s monsters dreigen

Uit den afgrond opwaarts stijgen

En mij dringen in het oor!

 

Maar dacht ik aan later dagen,

Ik vergat uw leed en plagen,

Schoon gelegen Ysselstad!

Die in aanzien, rijkdom, handel

En der burgren stillen wandel

Naauw een mededingster had.

 

In den kring van dierbre vrinden,

Mogt ik nog de trekken vinden

Van hun gulheid, vreemd van schijn.

Nog zijn zij den lofspraak waardig

Dat zij ijvrig, rond, dienstvaardig,

En van zachte zeden zijn.

 

Hoeveel wijzen, eedlen, grooten –

Lichten voor hun tijdgenooten –

Zagen hier het eerste licht!

Letterhelden, waarheidsvrinden,

Dappren die de vrijheid minden,

Is ons Neêrland u verpligt!

 

Zou hier hart en lied niet gloeijen!

Wetenschap en kunsten, bloeijen

Thans nog welig op uw’ grond!

’k Zie nog echte wijsheids-zonen

Binnen de eige wallen wonen

Waar reeds vroeg haar tempel stond.

 

Dat ze u lang ten luister strekken,

Lettermin en kunstdrift wekken!

Ja, zoo lang de tijdstroom vloeit

Wone hier een veeltal braven,

Wien verrijkt met eedle gaven,

’t Hart voor ’t goede en schoone gloeit!

 

Wordt door deugd en reine zeden

’t Voorbeeld onder Neêrlands steden,

Weelde en zinlijkheid ten spijt!

Dat m’uw’ naam met eerbied noeme;

Heinde en ver uw’ luister roeme;

Meer nog uw Godsdienstigheid!

 

Dan brenge u in later dagen,

Als uw burgren, als mijn magen

Met mij rusten in het stof;

Als hun kindren U bewonen,

Een van hun, met zuivre toonen,

Schooner hulde, hooger lof!

B. Koster, 1819

 

 

-Juist wilde hij het voetpad oploopen, toen Nico zei: ‘Jongens, ik krijg daar net een plan. Wat denken jelui ervan eens naar Zutphen te wandelen?’

‘Naar Zutphen,’ herhaalde Jaap. ‘Waarom naar Zutphen?’

‘Wel, dat is veel verder en veel eigenaardiger. Wat hebben we eigenlijk aan Doesburg, waar we al zoo dikwijls geweest zijn?’

‘Hij heeft gelijk,’ zei Kees; ‘laten we naar Zutphen gaan. In drie uur zijn we er.’

Charles Krienen, De avonturen van vier pretmakers

 

 

-‘Geeske, ik wou je vragen: Heb je nog een Zutphense almanak voor mij te koop? We kunnen de andere, die we afgelopen herfst reeds van je kochten, nergens terug vinden.’

Geeske weet nu, waarvoor de Kraai komt. Even fronst ze haar wenkbrauwen. ‘Een Zutphense almanak, zeg je? Dan moet ik eens even kijken, maar ik geloof dat er geen meer is.’

Ze trekt de oude, scheefgezakte linnenkast van haar moeder zaliger open, om zich te overtuigen, dat ze er inderdaad geen meer in voorraad heeft. Na enig zoeken trekt ze zich wat van de kast terug, sluit de in hun scharnieren piepende deuren en zegt: ‘Een Zutphense almanak, nee, ik kan je er niet meer mee van dienst zijn. Ik ben ze allemaal kwijt.’

Ze vouwt met een ietwat zorgelijke blik haar schrompelige handen ineen en herhaalt: ‘Neen, ik kan je er niet meer mee van dienst zijn.’

Maar haar zakelijk instinct komt nu, enkele uren na haar oudejaarsavondmeditatie, waarin Geeske ieder jaar weer ervaart dat alle bezit toch maar betrekkelijk is, plotseling weer boven.

‘Ik heb nog wel een scheurkalender voor je. En een hele mooie ook nog: een Honigdroppels. Je kunt hem vijftien centen goedkoper krijgen dan hij eigenlijk moet kosten!’

Ze zegt het, als wil ze de Kraai een groot buitenkansje geven. Maar die steekt juist de brand nog weer eens in zijn pijp en zegt hoofdschuddend: ‘Een scheurkalender hebben we wel. Neen, het ging me om een almanak, want ik wil zo’n beetje weten wat voor weer of we dit jaar krijgen.’

Hendrik Lansink, Waar mens en koren rijpen

 

 

-Niet lang duurde het, of weder op het rijtuig gestapt, verlieten zij de stad Deventer, en zij bereikten, den bogtigen IJssel volgende, over Gorssel en Rijssel, ouder eene afwisseling van fraaije Geldersche gezigten, de stad Zutphen, even als Deventer, aan den regteroever van den IJssel liggende. Daar het voornemen was van vader Buisman, om nog dezen dag, al was het dan ook tegen den avond, de stad Arnhem te bereiken, kon hij niet dan zeer vlugtig de stad Zutphen bezigtigen. Bijzonder vestigde hij de aandacht van Hillegonda op het uitmuntend fraai klokkespel, dat zich van den toren bij het Wijnhuis liet hooren, en door den beroemden hemoni gegoten was, haar tevens aanwijzende, hoe het oude van het nieuwe gedeelte der stad, door het stroompje de Borkel gescheiden wordt. Ter loops herinnerde hij ook zijne dochter, hoe deze stad, herhaalde keeren, deerlijk van de woede der Spanjaarden had te lijden gehad, daar zij nu eens in de handen der Staten, dan in die der Spaanschen was, tot dat eindelijk in het jaar 1591, Prins Maurits voor haar met een leger kwam opdagen, die de stad tot eene spoedige overgaaf dwong. ‘Ik was toen nog zeer jong, zeide Buisman, maar het staat mij nog voor, welk eenen roep deze daad van den jongen Maurits door het land gaf, want men wist naauwelijks, dat Zutphen belegerd was, toen men te gelijk hoorde, dat het reeds zich aan zijne wapens had overgegeven.’

Nadat Buisman met zijne dochter zich een weinig verkwikt, en zich van een ander rijtuig en frissche paarden voorzien had, zetten zij hunne reis voort naar Arnhem.

Adriaan Loosjes Pzn., Het leven van Hillegonda Buisman

 

 

-Op het Koningsplein bevindt zich ook het station Weltevreden van den spoorweg, die van Tandjong Priok af, tot Batavia en verder naar den Préanger voert, ‘naar boven,’ zooals men gewoonlijk zegt. Door de verbazende grootte van het plein merkt men evenwel dat station ternauwernood op en ziet al wandelend, nu eens een detachement soldaten, die exerceeren, dan weer een afdeeling artillerie met kanonnen, oefening houdend, of eenige escadrons cavallerie ventre à terre rennend. Een eind verder grazen vreedzaam de sappies en wanneer men nog eenige minuten gewandeld heeft, ontwaart men een aantal jonge lui die lawn-tennis, cricket of football spelen bij een paar sierlijke club- of vereenigingshuisjes. En niemand hindert daar een ander. Al zouden er nog tal van clubs, ettelijke troepenmassa’s en stations bijkomen, er blijft altijd ruimte genoeg op het Koningsplein, dat, naar men mij verzekerde, een oppervlakte heeft zóó groot, dat men de stad Zutphen er op zou kunnen zetten en nog plaats overhouden voor een armee-corps.

Justus van Maurik, Indrukken van een ‘Tòtòk’. Indische typen en schetsen, Batavia

 

 

-Eindelijk weet de baron wat hij weten wil, neemt zijn zakdoek, brengt dien even aan ’t voorhoofd en zegt tot den snorder: ‘En nu, goeie vrind, wil ik wel weer alleen zijn, ik dank je. Ik word wat moe; ’k voel toch, dat ik nog zwak ben, maar jou gezicht heeft me heel veel goedgedaan. – Ziedaar! neem dat mee, dat’s voor den eerlijken vinder; doe mijn groeten aan je vrouw en zeg haar, – ze is immers ook van Overijssel? dat ik een landsman van haar ben. – Maar pak dan toch aan, man. Dat is om je kinderen eens te trakteeren. Zeg aan je vrouw, dat ze een braven vent heeft en dat ze later wel meer van mij hooren zal. – Adieu! Dirk krijgt nog een fermen handdruk van den baron en verlaat het vertrek. Als hij in den corridor staat, ziet hij een banknoot in zijn hand; – nauwelijks gelooft hij zijn oogen.

‘Godallemachtig! Honderd gulden! – Nou naar Mijn! Kristenzielen, wat zal ’t wijf blij zijn!’

Hij stormt de trappen af, en als hij den portier voorbij komt, vraagt deze uit zijn hokje ziende: ‘Heb je den baron gesproken?’

‘Nou! dat zou ‘k je verzoeken. – Dag, portier!’

Dirk maakt, dat hij wegkomt.

Of de baron woord hield?

Vraag dat maar eens aan Dirk of liever aan zijn vrouw, die gedurende het jaar dat zij in het ruime luchtige koetsiershuis van het buitengoed ‘Weijdenstein’ boven Zutphen wonen, er welgedaan en gezond is gaan uitzien. De kinderen groeien als kool, eten als wolven, en er is altijd genoeg.

Justus van Maurik, Papieren kinderen, Dirk de snorder

 

 

-Rijst de vraag waarom Niets te verliezen en toch bang juist zo tot stand heeft moeten komen; waarom de schrijfster-journaliste voor dit boek deze vorm koos, en niet, zoals bij al haar andere bundelingen, een selectie uit louter al verschenen stukken maakte.

Antwoord: ‘Ik had die nieuwe gedeelten – bijna de helft van het boek – dus niet in de krant durven zetten. Ze zijn zo persoonlijk, zo privé. Een heleboel al eerder in de krant gepubliceerde columns waren ook wel behoorlijk privé, maar die heb ik onder hoge druk geschreven, omdat ik niet anders kon, en toch wilde blijven schrijven. Maar er bleven onderwerpen, waar ik het niet over durfde te hebben, zoals over angst voor zelfmoord – ik durf eigenlijk überhaupt niet over angst in de krant te schrijven. En dat dan uit angst voor de besmettelijkheid ervan. Angst is namelijk een zeer aanstekelijke emotie. Je moet er toch niet aan denken dat een lezeres uit Zutphen zichzelf van kant maakt, daartoe aangezet door het lezen van een van je stukjes.

Ischa Meijer, De interviewer en de schrijvers, in gesprek met Renate Rubinstein

 

 

-Nou ’k hjirfan skreau, tink ik mei tankberens oan de famylje van Sytzama. Alde mefrou de Douairière van Sytzama, stjûrde mem wike yn wike út alle dagen bêst iten. Jonker Baron J.G.W.H. van Sytzama, troud mei freule S. de With fan Bûtenpost, wiene myn bêste buorlju en freonen, en dy freonskip bleau by alle wikseling sa lang bistean, ta de dea der in ein oan makke of makket. Jonker Mr. Sytzama it jit rjochter to Zutphen.

T.G. van der Meulen, In brulloft yn ’e Wâlden

 

 

Zou hij nog iets van die vroegere noodlotstijd weten? Zou hij, versuft op een vieze matras, wel weten dat de omstandigheden van zijn leven honderden jaren voor zijn geboorte begonnen zijn? Wie niet kan lezen en schrijven heeft vaak een pakhuis vol oude, erfelijke herinneringen tot zijn beschikking. Dat de verhalen hem zijn verteld weet ik zeker: heel lang geleden, Jannosch, heeft je familie al eens in deze streken rondgetrokken. Een van je betovergrootmoeders werd bijvoorbeeld in Zutphen opgehangen. Haar dochtertje van acht keek toe. Toevallig ken ik een paar details. Blijf maar liggen, ik vertel ze wel.

Margriet de Moor, Hertog van Egypte

 

 

-Heden kreeg ik een brief van een uitgever te Zutphen die zich in de gunst rekommandeerde. Hoe de man my heeft uitgevonden weet de hemel, maar dat noem ik vigileeren.

Multatuli, Brieven, Aan Mevr. Douwes Dekker-Van Wynbergen, 21 juni 1860

 

 

-12 maart 1943

Dien avond gloeide God nog wat na.

En toen we op de IJsselkade stonden, hapte de zon een driekwart cirkel uit de toppen van de boomen aan den overkant en maakte een zacht streepje in de rivier en ’t water rimpelde even. En de merel zong uitzinnig en over ’t IJsselland op den horizon stonden weer de twee torens van Zutphen, heel ver.

Nescio, Natuurdagboek

 

 

Ik was eene weeze. Opgevoed in de hofstad, gevoelde ik mij diep ongelukkig bij het vooruitzigt de schoonste jaren van mijn leven te zullen moeten doorbrengen in het oud niet vrolijk kasteel van mijnen oom en voogd, hetwelk op drie uren afstands van Zutphen zoo eenzaam gelegen is.

Anthony Engbertus van Noothoorn, De ridder van de klok. Door een neefje van Klikspaan

 

 

De Berkellisschen

 

Huppelvoetje Doriaan

Treedt verligt op Zutfen aan

Botter te verkoopen.

Och soo soet kan soete meid

In die lieve vroeglingtijd

Langs de Berkel loopen.

 

Zoeltje lispelt in het groen

Schelle vogelkeeltjes doen

Zich soo dertel hooren.

Zutfen rijst in het gezigt,

Sonnestraaltjes tooien ligt

Walburgs grijze toren.

 

‘Soete meisje!’ – Ach sij schrikt;

Palemon haar tegenblikt,

In zijn oogen lonken.

‘Is ’t om botter dat gij loopt?

Beter dat gij mij verkoopt,

Eer gij ’t hebt verschonken.’

 

Blozend bekje stamert: ‘och,

Lieve heer, wat wenscht gij nog?

’k Heb niet in mijn korve!’

‘Zoudt gij heusch op Zutfen aan?

Beter kan ik proeven gaan

Eer ze is bedorven!’

 

Beeft haar handje op zijn tast

Zal ze los – hij houdt haar vast,

Reikend naar haar beursje.

Parst door ritslend loofgerugt

Zugt op woordeloze zugt

Uit het zwellend keursje.

 

Almens schoone Dorian,

Is er soeter rusten dan

Langs de Berkellisschen?
jankarelbadonghijben
Zutfen, daar de IJssel vliet

Koopt heur botter heden niet,

Ziet, gesmolten isse…

Adriaan Harmensz Oldekamp (1743-1799), uit: Diaan te Wichmond

(NB Oldekamp en zijn gedicht zijn een mystificatie van de in Apeldoorn geboren Utrechter Arjaan van Nimwegen.)

 

 

-Zutphen

In Zutphen wilden we eigenlijk niets anders gaan doen dan slapen; ’t behoorde niet in ons reisplan; onze expeditie leek ons met Dieren geëindigd. Maar toen we eenmaal de stad waren binnengereden, vonden we ’t toch wel heel jammer, er ’n ganschen avond werkeloos te blijven en zoo kwam het dat we, haast intuïtief zou ’k zeggen, naar ’t politiebureau stapten.

Daar troffen we nog net een inspecteur, die ons in goed Fransch kon vertellen, dat we waarschijnlijk ’s avonds van den Commissaris nog wel vergunning zouden krijgen, om hier of daar in een hotel of herberg te spelen. Maar dan moesten we ons eerst te acht uur aan ZijnEdelgestrenge komen vertoonen. Vóor dien was het ‘absolument défendu de jouer’. Ja, dat wisten we óok wel.

Op de Markt tegenover ’t Raadhuis wees de inspecteur ons een hotel aan, waar we misschien wel zouden kunnen slapen, maar toen ik daar binnenstapte en logies vroeg, ging de hotelhouder eens even buiten kijken naar Joseph, die daar armzalig bij ’t natgeregende wagentje stond. En toen schudde hij zeer beslist ’t hoofd. Voor ons slag menschen was zijn hotel hem blijkbaar te goed.

Zoo stapten we dan mistroostig achter ons karretje over de glimmende hobbelkeien van Zutphen’s marktplein, op zoek naar gastvrijer verblijf.

Toen kwam daar ’n dreumes van ’n jaar of tien, klein kereltje met ’n pienter snuit en verstandige bruine oogen, ons achterna loopen, trok me aan m’n jas en vroeg: ‘Zoekt u logement, logies?’

Ja, knikte ik. ‘Da kommen Sie bei uns,’ kwam toen z’n zusje, ’n meisje van ’n jaar of twaalf, hem in goed Duitsch helpen, ‘wir haben Logement.’

En door een bochtig straatje volgden wij het aardige tweetal naar hun huis, dat een hotelletje voor kermisgasten en dergelijken bleek te zijn. Net iets voor ons dus.

’n Heele troep jongens en meisjes, die ons al van de Markt af gevolgd hadden, schoolden nu samen voor de deur van Hendricks, – zoo heette de logementhouder – en de kleine gasten probeerden onder ’t zeil van onzen wagen te loeren, die door ons vriendje met de bruine oogen manhaftig verdedigd werd.

We vonden in het logement, achter het buffet, in de wel smalle en donkere maar toch gezellige gelagkamer, de vrouw des huizes, die vlot Duitsch sprak en op onze vraag naar logies even haar man liet wekken, die er ’s middags maar wat bij liggen ging, zei ze, omdat ie ’s avonds zoo laat en ’s ochtends zoo vroeg bezig was.

De waard zelf, ’n zwaargebouwd Duitsch type, kwam ’n oogenblik later moeizaam langs een steil trapje van boven, monsterde eens even ons zelf en onze bagage en zei toen, dat hij ons best logeeren kon. Als we wilden, konden we meteen de kamer zien.

Blijkbaar waren we in dat hotel wel eerste-klasse logés, want voorbij een groote, holle achterkamer met veel bedden, en een donkere alkoof, die ons weer aan Simmers terug deed denken, bracht hij ons over een eng portaaltje naar een ruime voorkamer, netjes behangen en met twee flinke bedden, op een waarvan de baas zelf juist een dutje bleek te hebben gedaan.

Zestig cents per persoon kostte ons dit logies, waar we best mee tevreden waren.

Beneden teruggekomen vonden wij de gelagkamer voller, door een troepje danstentklanten, zes mannen, twee vrouwen en twee kinderen, die hier bij Hendricks onderdak moesten komen zoeken, omdat hun woonwagens nog niet per spoor waren aangekomen. Dat gaf een heel gereken en geredeneer, want alles bij elkaar stoppen kon niet, vanwege de politiebepalingen en een groepsgewijze verdeeling van het gezelschap liet de beschikbare ruimte niet toe. Maar Hendricks en zijn reeë vrouw wisten er blijkbaar wel wat op te vinden. De algemeene deliberatie eindigde althans met de verzekering van den logementhouder, dat ze allemaal wel konden blijven.

Toen zette zich het heele gezelschap tevreden aan ’t middagmaal, dat voor ons uit koffie, brood en gebakken visch bestond, van die lekkere, vetgebakken bot, waaruit de olie je zoo genoeglijk langs je vingers druipt… Ja, lieve lezeres en deftige lezer, langs je vingers, want een vork wordt in logementen van dezen rang overbodig geacht, zoolang er geen aardappels te breken of boonen te pikken zijn.

’t Gezelschap nam van ons weinig notitie; ze zaten allen, vijf of zes tafeltjes met menschen achter elkaar, te eten, en een knusse lucht van uien, zuur, visch, bier, koffie, natgeregende menschen en rook hing in het ongeventileerde zaaltje.

Van een drietal jonge kerels met losse dassen en groote ruitepetten, plakkende haren en koperen horlogekettingen – gelukkige eigenaars van een ‘Kop van Jut’ hoorden we later – wou er één ons wel even tusschen nemen en die begon zachtjes achter ons te spotzingen van: ‘In dat schoon Italio, eet je garnalio.’

Maar toen ik even omkeek en den zanger van onder den breeden hoedenrand aanloensde, kwam hem dadelijk een van zijn kameraden waarschuwen : ‘Maak jij nou geen Haarlemmerdijkies tegen die mense. Je heit roezie voor je ’t weet… dat Italianetuig draagt messen.’

Ik had wel graag daar ’n beetje blijven zitten, om te trachten wat met onze medelogés te praten; mijn lust in spelen was niet groot. Maar Joseph had het ‘feu sacré’ te pakken en er hielp niets aan; ’k moest, toen mijn vischjes verschalkt waren, mee de straat op, om voor den avond nog een engagement te zoeken.

’t Regende druilig, toen we buiten kwamen maar ’t deed ons goed, weer in de frissche lucht te zijn. Over glibberig-natte keien slenterden wij onze straat uit, die den wonderlijken Spaanschlijkenden naam van Barlheze droeg, en gingen op zoek eerst naar een winkel om snaren te koopen, want Joseph had zijn laatste E-snaar stuk getokkeld, en dan naar een lokaal waar we, behoudens de vergunning van den politie-commissaris, ’s avonds zouden kunnen spelen. Maar we waren allerminst gelukkig. Aan adressen, die men ons opgegeven had, vonden wij den avond reeds bezet, of dacht men, zoo vlak voor Koninginnedag, toch geen publiek te krijgen; en alleen in de ‘Port van Cleve’ meende de Oberkellner, dat we wel eens terug konden komen als zijn chef er was. Misschien – maar veel hoop gaf hij ons niet – misschien zou die ons wel wat muziek laten maken.

Mistroostig scharrelden wij door ’t natte Zutphen heen, nageschreeuwd door de straatjeugd, door de ouderen bespot. Daarom vielen we eindelijk maar weer in de Barlheze bij Hendricks binnen om er te wachten, tot het tijd zou zijn naar den commissaris te trekken.

Het danstentgezelschap was vertrokken; de woonwagens waren toch nog aangekomen. Gelukkig, meende baas Hendricks, want hij had ’t de laatste weken toch al zóó druk gehad, dat hij voor ’t oogenblik aan rust meer behoefte had dan aan geld.

’t Leek ons daar een goede geldwinning, dat volkslogement: de gelagkamer zat weer vol met andere gasten. Maar ’t heele gezin hielp er ook mee, de zaak te drijven. De pientere kleine baas, die ons op de Markt had aangesproken, liep om boodschappen uit en deed bovendien, zooals wij ondervonden hadden, dienst als ,’chasseur, conducteur et portier de l’hótel’. We maakten Hendricks ons compliment over zijn zoon en hij lachte tevreden.

Het zusje met nog een dochtertje van het echtpaar scharrelde bedrijvig in de ruime keuken achter de gelagkamer rond en maakte boven de kamers in orde. De twee meisjes sjouwden met waterkannen en kussens, gingen dan weer gauw op bevel van vader koffie zetten, waschten het eetgerei, en dat alles met ’n gewilligheid en opgewektheid, dat het een lust was om te zien. En vader en moeder Hendricks schenen overal te gelijk te zijn, zij vooral, omdat hij in de gelagkamer zijn wonderlijke klantjes in ’t oog moest houden.

Om voor onze omgeving in onze rol te blijven, gingen we achter een ‘Snaps’ — specialiteit van ’t huis — al cigarettenrookend zitten kaarten. Zoo wachtten we tot acht uur, toen we weer op weg moesten naar het bureau van politie, waarvoor we een groote menigte verzameld vonden, bewonderend de illuminatie van ’t Stadhuis, die proefbrandde.

De Commissaris was er nog niet, en hem wachtende zaten we langen tijd in de rookerige wachtzaal der agenten, slaperig in ’t flakkerend gaslicht te turen, in gezelschap van een armen, ouden stakker, die achter ons binnen was gestrompeld, op een vraag van een der agenten : ‘Onderdak?’ triestig had ja-geknikt en toen, na ’t bevel ‘Ga maar zitten’, suf in een hoek op een bank was neergezakt.

De Commissaris, dien we bij zijn binnenkomen eerbiedig groetten, ontving ons niet in persoon. We hebben zoo’n flauw vermoeden dat Zijn WelEdelGestrenge met zijn vreemde talen een weinig op gespannen voet stond. Hij liet ons althans ondervragen door een inspecteur, die half in de deur van het wachtlokaal, half in de gang naar de commissariskamer staande, de vragen van zijn superieur, die uit de verte klonken, voor ons in ’t Fransch overbracht en onze antwoorden in ’t Hollandsch terugriep.

Moeilijk was ’t niet om vergunning te krijgen. Na opgave van onze ‘namen’ en woonplaatsen hoorden wij al dadelijk van den inspecteur: ‘’t Is goed. U kunt zeggen, dat u vergunning heeft. ’n Bewijs? Niet noodig. Desnoods kan men telefoneeren.’

 

Dwalend door de stad

Maar ’t hielp ons niet veel, die permissie. De eigenaar van de ‘Port van Cleve’ wilde van muziek in zijn stemmig lokaal niet weten, en in andere café’s ging ’t ons al evenzoo. Hier was het te deftig, daar zag het er zoo donker uit, dat er geen cent te verdienen leek, ergens anders geloofden ze weer niet aan onze vergunning… en hadden ze geen telefoon.

Zoo liepen we dan ten slotte doelloos te dwalen, hier en daar vragend, of men ook voor een paar arme muzikanten wat te verdienen wist.

Eindelijk zei een jonge man, die met zijn kornuiten op een straathoek stond, dat we maar naar den Polsbroek zouden gaan, waarop ze allen in ’n lach schoten.

-‘Lachen jullie nou niet,’ snauwde toen de ander en tegen ons vervolgde hij: ‘Wahrhaftig, dar ist een gut Café um zu spielen’, en hij duidde ons den weg uit langs de tramrails tot buiten de stad en dan linksaf in een zijstraat…

Polsbroek… De naam leek mij verdacht. Jaren geleden in Zutphen zijnde, had ik hem in ander verband gehoord, dan nu juist tot een café waar muziek gemaakt kon worden. Maar we moesten ’t probeeren. We liepen er nu eenmaal voor.

De Polsbroek vonden we makkelijk, maar geen café. Alleen scheen achter een ruit boven een der deuren een eigenaardig rood licht, als uit een rood-glazen ganglantaarn. Toch moesten we dáár wezen, want toen we aan een troepje buurtbewoners — zelden zag ik zulk een verzameling gevangenistypen bijeen — naar het café vroegen, verwezen zij ons, schoon met eenige aarzeling, daarheen.

Wij schelden en de deur werd opengemaakt voor zoover een ketting, die daarachter gespannen was, het toeliet. Een verwelkt vrouwenhoofd loerde door de kier.

-‘Est-ce vrai, madame, qu’on peut jouer ici?’

-‘Pour Ia bière, oui,’ luidde het antwoord, dat wel eenigszins deed vermoeden, dat ze ons niet verstaan had.

Maar meteen rammelde de ketting van achter de deur neer en werden wij binnengelaten.

We kwamen in een kamer, waar een zoete lucht van poudre-de-riz en odeur hing en waar men, bij den schijn van een schemerlamp met roode kap, even ’n idée van min of meer mondaine weelde kreeg. Maar de meubels bleken vaal, en de rommel aan de muren bont en de pianotoetsen geel uitgeslagen.

Op een lage canapé in den hoek naast de piano lag in overhemdsmouwen ’n buikig heer, die met ’n kreun van een die wakker wordt zijn hoofd naar ons toedraaide. Om overeind te komen leek-ie te dik.

En aan een gedekte tafel, onder ’t licht van de schemerlamp, zat triestig achter ’n simpel avondboterhammetje in een wije witte babyjurk met lagen hals en korte mouwen een gepoeierde juffer van ver voorbij de dertig.

We waren verzeild in… – laten we maar zeggen – …de Moulin Rouge van Zutphen.

‘Madame’ was met ons binnengekomen en stond nu, zelf wel een beetje verbijsterd door plotseling dat ruige vagebondenpaar in haar salon, verlegen naar meneer op de sofa te kijken.

-‘Nein, Musik, das ist nichts for uns, hier. Die Leute hier, kommen erst um zwelf, ein Uhr.’ – O, onsolide Zutphenaren! dachten wij, wel zèèr in ’t donker wenscht gij de kat te knijpen! – ‘und da wollen sie doch kein Musik.’

Neen, dat begrepen we nu óók wel. En daarom gingen we, excuses mompelend weer weg. De schoone in de babyjurk keek ons melancholiek na, hapte zwijgend van haar boterham. En achter ons ging de ketting weer op de deur.

 

Wij fuiven

Dikwijls hebben we, rechtbankreporters, in de verbazing gedeeld van de rechters, wanneer we daar van getuigen of beklaagden hoorden, hoe die met lui, die ze niet kenden, nooit te voren hadden gezien zelfs, kroegen binnengingen en verder den avond doorbrachten,

Dat leek ons, menschen die aan kennismaken en deftig voorstellen gewend zijn, altijd iets onbegrijpelijks, en wij wilden nu uit eigen ervaring dat verschijnsel wel eens nader leeren kennen. Het leven van de laagste volksklassen gaat toch doorgaans zoo buiten ons om… Een paar Zutphensche deerntjes – Polsbroek-juffertjes – hadden ons aangesproken en een koloniale-recervist had zich in dat gesprek gemengd. De meisjes hadden we gauw afgepoeierd, maar den koloniaal kozen we voor ons bier-kennismaking-experiment.

Om hem geen taalmoeielijkheden in de weg te leggen, sprak ik Vlaamsch met hem en zoo vraag ik hem dan:

-‘Me gaan er ientje pikke. Ga de gai mee, milleteer?’

-‘Ja, da’s goed,’ zei de ‘milleteer’ en hij ging ons voor naar een klein kroegje aan ’t eind van den Polsbroek, waar we niemand anders aantroffen dan de waardin achter en een groven werkman met een stoere krullebol vóór het buffet.

-‘Wat breng je me nou binnen?’ vroeg de juffrouw verwonderd.

-‘Dat weet ik niet,’ zei de koloniaal. ‘’t Benne muzikante, geloof ik, en ze hebbe me gevraagd om mee te gaan.’

Wij dronken bier; de koloniaal, die last had van zijn maag, cognac.

-‘Ze hebben ‘’n café gezocht om te spelen,’ vertelde-ie, ‘maar ze vinden niks. Italiane benne ’t. Ik ken zulke kerels wel. Maar de oudste spreekt Vlaamsch.’

-‘’k Wou dat ’t Zaterdagavond was en dat ik vergunning had, dan zou ik ze wel willen hebben. Wat spelen ze?’

-‘Wilde-gij ’n mopke ’ooren, madammeke? Schoen meziek, versta-de. En alla, als gai giene permissie voor de meziek in oeuwen estaminet ’eit, dan speule me pour l’amour de Dieu, simpel uit de vrindschap, zie-de. Dan kan doar giene sergent-de-ville kwoad van moake. Me ’ebbe schoen geld verdiend en me kunne noe van den oavond wel is ’n kierke veur niks speule. Goat gai óók wat mit ons drienke, madammeke?’

‘Madammeke’ wou het een zoo goed als ’t andere wel. En zoo zaten we dan ineens daar in dat kale kroeggie als in een zeer genoeglijken familiekring.

De broer van de juffrouw en haar zuster’s zwager kwamen er nog binnenvallen, en ’t dienstmeisje mocht in de gelagkamer komen zitten, en we kregen ook nog een paar van de meiskes van zoo-even tot publiek. Zoo hebben we toen eens echt voor ons pleizier gespeeld , terwijl om ons heen de stemming steeg tot zeer groote vroolijkheid, en de vrouwlui zelfs onder elkaar aan ’t walsen sloegen.

Wij amuseerden ons kostelijk met de bewondering die onze muziek vond, met het discours om ons heen van de menschen, die maar niet wisten hóe ze ’t eigenlijk met ons hadden, met hun verheerlijking van Amsterdam, ‘waar ’t toch maar je ware leven is’, vond de juffrouw, en met de juffrouw zelf, die – weduwe met drie kinderen – zei, dat ze mij wel trouwen wou. Zij zou wel zorgen voor de zaak en ik voor de muziek. En samen zouden we rijk worden. Joseph mocht bij ons komen inwonen en kreeg dan ’t dienstmeisje tot vrouw…

We zaten er tot de werkman met zijn krullebol een lastigen dronk begon te krijgen, tot de koloniaal in zijn kazerne en de Polsbroeksche juffertjes allang weer in haar ‘dienst’ hadden moeten zijn, we zaten er tot het buiten twaalf uur sloeg en de juffrouw sluiten moest.

Maar eerst dronken we nog de juffrouw d’r gezondheid met een glas bier dat ze ons – nadat wij hadden afgerekend – cadeau deed, omdat ‘als de menschen mijn netjes behandelen, dan behandel ik ze netjes weerom.’

Prosit, mijn vriendelijke weduwe uit den Polsbroek, prosit lieftallige aanstaande van Joseph; prosit, gij broeder en gij zuster’s zwager van de juffrouw; prosit, ook gij werkman met uw krullebol en uw lastigen dronk, en gij Zutphensche tulemutsjes-in-politiek; prosit; eindelijk ook gij, brave koloniaal met uw maagkwaal.

Ge hebt ons te zamen een duren, maar een vroolijken avond bezorgd. ’t Was een waardig einde van onzen vagebonden-tocht, want den volgenden dag moesten wij weer ‘huis toe’, keerden we terug tot Amsterdam, en de solide verslaggeverij.

 

‘Huis toe’

Van ’t denkbeeld, naar huis terug te keeren moet voor beroeps-straatmuzikanten, voor zoover ze niet absoluut zonder vaste verblijfplaats zijn, toch wel een groote bekoring uitgaan. Dat wèten, dat je nu een bed wacht… niet zoo maar een, dat je nog ergens moet gaan vinden, maar een waarvan je weet waar het staat en hoe het staat en hoe ’t ligt opgemaakt. O, nu weet ik wel heel goed, dat voor zulke arme muzikanten hun ‘huis’ niet altijd een dorado is, maar hoe klein, hoe armoedig, hoe onrustig en onvredig het er ook zijn mag, het is er, waar overigens alles in ’t leven van den zwerver langs den breeden weg niet is, maar misschien wel komen kan.

Onze aandoeningen op den morgen van ons vroegtijdig vertrek uit Zutphen waren zeer gemengd. Het terugkeeren naar huis en naar de onzen, na een welgeslaagden tocht, het vooruitzicht van een bad en schoone kleeren, en van weer je eigen plaats in de samenleving te kunnen innemen, en van niet meer ’t ‘Schaukellied’ te hoeven spelen – niet waar, Joseph ? – dat alles stemde ons wel vroolijk. Maar toch zagen wij met eenig  leedwezen onzen tocht geëindigd. We hadden nog zoo graag heel veel meer ondervinding in dit voor ons zoo nieuwe leven opgedaan, en dan, we voelden het wel, als we vooruitdachten naar onze maatschappelijke plichten, naar onze zorgen thuis, naar ons beroepswerk, hoe we nu een leven van onafhankelijkheid en eigenlijke zorgeloosheid gingen laten varen, ter wille van wat de wereld blieft te noemen ons gewone ‘fatsoenlijke’ bestaan… Daarom, zeg ik, waren onze gevoelens gemengd op dien Vrijdagmorgen, toen we in Hendrick’s gelagkamer, waar moeder-de-vrouw nog huiselijk in de bedstee lag, ’n boterham aten, alvorens naar den trein van halfzeven te gaan.

Afrekenen behoefden we niet meer. Dat had Hendricks ons voor alle zekerheid den avond te voren laten doen, evenals het inschrijven in het op elke bladzijde door de politie gestempelde vreemdelingen-register.

Om der wille van de curiositeit publiceeren wij hier de rekening die wij met potlood op ’n vodje papier uitgeschreven kregen:

2 visjes…                        20

2 kop koffie…                 10

2 broodje…                    10

2 klare…                        10

2    ”  …                         10

3 bier…                          15

vorst…                            45

butterbrod…                   12

slave…                         1,20

                                    2,62

J. Louis Pisuisse en Max Blokzijl, Avonturen als straatmuzikant

 

 

-Lieve Vriend!

De Bosboompjes zijn teregt, wij hebben hen Zondag in de Scheveningsche boschjes aangetroffen. Hun zomer was een serie van kleine rampen en teleurstellingen geweest, – eerst het afsterven van Aal – toen het logeeren bij gebrek van dienstbode in een klein hôtel tegenover het station van den Rhijnspoorweg te ’s Hage, en eindelijk de reize naar Zutphen, en de hitte, de hitte, de hitte!

E.J. Potgieter, Brieven aan Cd. Busken Huet 1870-1874, 22 augustus 1872

 

 

-Van alle kennissen en familieleden was reeds afscheid genomen, en den volgenden ochtend vertrokken Bertha en Mevrouw de Last per spoor naar Arnhem. Zij namen slechts één meid, Ant, mede, die reeds jaren bij de familie gediend had.

De reis was eerst heel voorspoedig, maar bij Zutphen werd Mevrouw de Last onrustig. Zij miste haar gouden flacon, een souvenir, waaraan zij gehecht was. Alle valiezen, hoedendoozen, en zelfs de groote handkoffer werden geopend: nergens was de flacon. Mevrouw beschuldigde reeds den timmermansknecht, die den koffer naar de spoor had gebracht, toen zij iets hards in haar mantel voelde: het kostbare souvenir was in de voering geschoten.

Van Zutphen ging de reis in een geelgeverfde diligence naar Bolde, waar men des avonds tegen acht uur aankwam. Daar men in het huis niet kon overnachten, gingen de dames naar het logement ‘De Posthoorn’, en sliepen in ouderwets gemeubelde kamers vol bruine meubels door ouderdom verzwart.

Den anderen ochtend begonnen zij reeds vroeg aan het uitpakken der kisten, welke op karren van Zutphen waren gekomen. Gelukkig was er niets gebroken dan een paar wijnglazen van een stel, dat toch reeds geschonden was.

Arij Prins, Uit het leven

 

 

’s Anderendaags te A. terugkomende, wordt Joseph Marjan, de ronselaar of werver, opgezocht. Wezerman moet voor zes, Poland voor acht jaren – twee jaren op den groei – teekenen. Wezerman, die de behoorlijke lengte heeft, zal twee dukaten, en Poland maar zes gulden handgeld ontvangen. ’t Is niet om rijk van te worden, maar er blijft niet anders over. Den 3den Julij 1814 neemt Poland dus dienst als vrijwilliger bij het 15de Bat. Infanterie van linie, gekommandeerd door den kolonel Macleod. Hij wordt gemeten, gevisiteerd, goedgekeurd en geplaatst bij de 2de kompagnie, kapitein Holthof; hij wordt gekleed en gewapend, en vertoont zich daarna als soldaat aan zijne moeder wie hij tegelijker tijd zijn handgeld brengt. Niettegenstaande het engelsch geweer hem zwaar valt te hanteren, is hij in een maand afgeëxerceerd en doet zich als een net, ordelijk, ijverig soldaat kennen. Als een goed zoon deelt hij zijn traktement en zijn brood met zijne moeder, en zoekt van tijd tot tijd zijne brave grootmoeder op. Drie maanden later krijgt het Bataillon order om naar Zutphen te marcheren; men scheept zich in tjalken in, zeilt de Zuiderzee over en marcheert van Harderwijk naar Zutphen. Daar zijn de kasernen nog niet gereed en wordt men ingekwartierd bij de burgers. Poland komt bij Ganseboom, den slager, en heeft het er goed. ’t Is een stil plaatsje, dat Zutphen, maar toch geen slecht garnizoen. Waarschijnlijk bragt de nabijheid der Pruissische grenzen er toe bij, om de desertie daar in de mode te brengen. Geen nacht ging er voorbij zonder dat een, twee, tot vijf man deserteerden; het gebeurde dat manschappen die heden aangenomen en gekleed werden, den volgenden morgen met handgeld en kleeding verdwenen waren. Ook Wezerman werd door die desertie-épidémie aangetast en liet op zekeren dag Poland alleen achter.

W.A. van Rees, Indische typen

 

 

Hoe Jan van Wichmond en zin vrouw op de Zutphensche karmis kwammen (1856) en hoe Nel zin vrouw ut jaleorsche niedigheid op den kop van een leeuw in de dreimulle ging zitten

 

Jan van Wichmond wou en zou

voor zijn genoegen en dat zijner vrouw

naar de Zutphensche kermis gaan,

en zij kwamen er aan,

na een uurtje karrehotsen

en botsen.

Toen zij de Spittaalpoort inkarden,

bijna tusschen al de voertuigen verwarden,

hoorden zij reeds van alle kanten,

luidruchtig vermaak van kermisklanten,

dansend, hossend, vrolijk herrieënd publiek,

op de maat van allerhande sort van muziek.

‘Jongens Nel wat een pret,

noew gauw ons peerd op stal gezet.’

Reeds feestgeinfecteerd , door hop! hop ! hop!

wandelden zij vroolijk de kermis op.

Op de markten overal ,

ook op de Boompjeswal,

waren massa’s menschen, joelend, schuivend,

kennissen van uit de verte lachend bewuivend.

Voor groote tenten met bezienswaardigheden,

en kleine tenten met kleinigheden,

stonden heeren met gekrulde knevels, vettige lokken,

een hoogen hoed op, luid schreeuwend te jokken,

ze waren luidruchtig aan ’t wijzen

en prijzen.

„Kom dat zien! kom dat zien!

vooruit burgerij en buitenlién, een

oogenblik stil, blijft hier staan, voor

5 cent kunt U binnen gaan,

vooruit menschen! ga,

hier ziet men de bekoorlijke Creoolsche, de 21 jarige Arabella,

buitendien onverklaarbaar, mooi

is de tooi

van haar ravenzwart haar, twee ellen lang, kom dat zien,

vooruit burgers en buitenliên.

‘Nel,

dat lik mien wel ,

haij wel gelet

op dat eulie portret , dat ze veur de teute hebt gezet,

’t lik un mooie déern ,

dêe zêek nog wel gêern.’

‘Jan! ie goat naor dêe bruune meid nêet hen,

ze willen oew lokken, net of ik dat niet ken,

ie blieft doar weg, wie goan deur,

‘k bin noew al heelemoale uut mien humeur,’

‘Ze is een wonder schoonheid van onzen tijd ,

uit de weg kleine meid,

die twee willen er door,

juffie ga voor.’

‘Wat juffie veur?

dank oew beur,

die twee elle lank hoar, dat jok ie moar,

ik bin 24 joar,

recht van lief en leeën,

moar mien hoar

blif doar verre beneeën.’

‘Gaat U binnen niet U beiden?’

‘Nee ik goa nêet, ze zal mien man niet verleien.’

 

‘Kom binnen, juffrouw, mijnheer,

de somnabule, een dubbeltje deez keer,

kom binnen in ’t volste vertrouwen,

zij zal U de toekomst ontvouwen,

alles kan zij U zeggen,

treedt binnen, ze zal dadelijk de kaarten gaan leggen.’

‘Nel dat wi’k beuren.’

‘Jan ligt néet zoo te zeuren.’

‘Komt binnen

’t gaat beginnen.’

‘Wie kommen nêet, zal ik oew wat vertellen,

ik kan oew ook wel wat veurspellen,

dat bint zeker oew kinder dêe doar stoan?

Joa? Wat loat ie dêe in lompen goan?

Zeg moar, dat ik ’t heb gezegd,

van dêe stumpers kump zoo niks terecht,

oew Sanibule zal ook un pareltjen wêzen

loat ze eur huusholden beter dóon, in plaats van de kaarten te lèzen.

Jan wiê goat.’

‘Nel wat maak ie oew kwoad.’

‘Jan’” ‘Joa Nel.’

‘Zee’j dat wel?

foei ’t is meer dan schande, bah ! kiek

zoo moar op stroate , tusschen al ’t publiek

danst un karmeswief, ,

korte rose rokken

hef z’ angetrokken.

Wat ligt doar op de steenen?

Ze danst er deur, in ’t ronde op eur teenen

doar ligt eier, a’k mien nêet vergisse,’

‘Joa! Nel ’t bint Hondereier wisse,

ze hef un dolik veur ’t groezelig gezichte,

ze schaamt zich , ’t is eur nog te lichte.’

‘Zal ik oew ens wat zeggen Jan,

dansen hold ik vuile van,

moar ik vroag oew, zolt ’t oew behagen

dat ik mien kleedjen zoo zol dragen?’

‘Nee Nel, doar bie’j te deeglik veur.’

‘Wie goat gauw deur,

da’s bèter heur.’

Wat is dat ?

dat hèk nog nooit an ’t end gehad,

‘Het afgehakte menschen hoofd,

gaat binnen, als U ’t niet gelooft,

het hoofd dat spreekt en leeft

en adem heeft.

Treedt binnen Dames, Heeren

U kunt nog profiteeren.’

‘Dat goan wie zièn, kom Nel.’

‘Ik dank oew wel

ik hold doar niet van

ik vind ’t griezelig Jan.’

‘Woarumme?’

‘Doarumme!’

‘Jan ie doat kwoad

aij binnen goat,

van af de fransche tied

is e de rompe van zin heufd al kwiet.’

Een bemoeiziek stadsche heer

mengde zich in ’t gesprek ‘op mijn eer,

jelui menschen van buiten gevoelen te teer,

weet jelui nu nog niet

dat al wat je daar ziet,

niets griezeligs biedt,

spiegeleffect is de zaak,

die man is een volmaakte snaak,

’t is optisch vermaak ,

het hoofd,

is niet van zijne romp beroofd,

het is juist de aardigheid,

dat men voor een duppie, zoo om de tuin wordt geleid.’

‘Zoo dunkt oew dat, stadsche prul,

ie heurt zeker bie ’t spul,

leg ie ons nèet in de luren,

met oew effecten op de speègelkuren.’

‘Maar men lieve menschen, ik hoor niet bij ’t spel.’

‘Wat zeg ie? dat doo’j wel,

fluit ie un ander oew deuntjen veur,

joa I krieg moar geen kleur

wie’j goat,

ziè daij un ander de duppies uit de beurse sloat.’

Drommen van menschen loopen ,

koopen,

dan bij die kraam van ’t eene wat,

bij een andere dat,

drentelend komt ons Wichmondsche paar,

door de woelige schaar,

op de Boompjeswal,

daar hoorden ze draaimolens drie in getal.

‘Wil ie dan niks Nel?’

‘Joa wel.’

,’Wat dan?’

„’k wil in de dreimulle Jan!’

‘Goed! dan goan wie in un schuutjen, op een banke.’

‘Dat doót kinder, ik danke

op un peerd

da’s mien ook niks weerd.’

‘Nel ! wat wie’j dan?’

‘Ikke Jan?

ik wil boven op

een leeuw zin kop.’

Ze draaide, duizelig viel ze met een schreeuw,

van den kop van den leeuw.

 

Anderhalf uur naderhand,

reden twee menschen van de stad naar het land,

‘Jan, heur ie mien wel?’

‘Zeker wel Nel.’

‘Heur is Jan, ik deed verkeerd.’

‘Joa vruiken ie hebt oew leelik bezeerd.’

‘Dat beteekent niks Jan, as ik oew zin had gedoan ,

en mee noar dat ravenhoar wief was gegoan,

da’k uut jaloerschheid liet stoan,

dan hadden wie de karmispret,

goed ingezet.

Bie’j kwoad Jan?’

‘Geen denken an.’

‘Ie bint bèter dan ik, beste man,

ik heb oew de pret bedorven, ’t zal neêt weergebeuren, dus,

wie ’t mien vergeven? geef mien un kus.’

‘Nelle met alle plezier

neêt ééne, moar vier.’

Herman Revelman

 

 

De vaendelen gevult, de lening’ wel betalet,

    Een wijs en snel beleyt: dit’s daermen eer mee halet.

Wat dunckt u? hebben wy niet cloeckelijck de schans

    Van Zutphen, en van daech slech met tien duysent mans

De Stat oock overheert?

Jacobus Revius, Over-Ysselsche sangen en dichten

 

 

-Wolfardus:

Hoe, acht en twintig honderd?

Fredrik:

    Ja, acht-en-twintig honderd; staje daar over verwonderd?

Had ik op de onkoste-rekening niet largo gegrosseerd,

    De winst had wel op duyzend dukatonnen gemonteerd.

Maar in ’t volgende jaar îs ‘er weêr minder gewonnen, als verlooren;

    Toen heb ik de Krediteurs een rad gedraait, dat niemand na zal sporen.

Hoor eens, ik kreeg, in dat jaar, in commissie, van zeeker Heer,

    Maar in ’t volgende jaar îs ‘er weêr minder gewonnen, als verlooren;

Toen heb ik de Krediteurs een rad gedraait, dat niemand na zal sporen.

    Hoor eens, ik kreeg, in dat jaar, in commissie, van zeeker Heer,

Die te Zutphen by de munt geintresseerd was, vier pakken zeemleer,

    En in yder pak had hy vier zakken valse schellingen gestoken,

Na hy alvorens in een brief, met de post, daar over had gesprooken:

    Deze vier pakken leer dan wierden aangehaald, met al den santen kraam,

Dat gaf toen eengroote opschudding in onzen hoek, op de beurs; en ik had de naam,

    Dat ik daar by wel tien duyzend guldens te kort was gekomen.

Nu heb ik by deze gelegentheid dit toeval tot myn voordeel genomen,

    En daar zes dnyzend guldens schade, op myn winst en verlies, voor gezet.

Zoo dat ‘er dat jaar verloren is zeven en dertig honderd gulden, net.

Frans Rijk, De hedendaagsche bankroetier achterhaalt

 

 

-’s Ochtends om 8 uur stond ik op de Mitropa te wachten, die vanaf Noord-Duitsland over Oldenzaal, Hengelo, Zutphen en Arnhem naar Wenen en verder ging. Een grote internationale trein met een grote jumbo-locomotief ervoor. Het was een prachtig gezicht om die trein de wissel te zien nemen alvorens het station Brummen te passeren. Stoppen deed ie niet. Hij raasde voort met zo’n kleine honderd kilometer per uur, met zijn blauwe en gele D-treinwagons en een rode restauratiewagen, waarin je mensen kon zien zitten ontbijten. Een wereld op zich zelf en heel snel. Vol illusie van vreemde verre landen en wonderlijke andere mensen.

Bert Schierbeek, Oom Hebbo & Tante Ant

 

 

-Ik ga terug over Zutphen en zie de huizen aan de IJsselkade, waar ik met tante Daatje in een portiek op een bus stond te wachten. Het was donker en het regende. Uit het huis achter ons klonk muziek en lawaai, tienvoudig versterkt opeens toen de deur openging en een dronken Canadees naar buiten zwalkte en tante Daatje omhelsde. Ik voelde haar angst: wat ging die man met ons doen?

Martin Schouten, Hotel Terminus

 

 

Binnenschip

De jongen (die natuurlijk geen jongen meer is, maar zo genoemd wordt omdat mijn toekomst zich vernauwt en mijn verleden zich verbreedt) heeft een groot binnenschip gekocht. Het heeft zand en bagger en kolen vervoerd, en ligt nu stil in een haven aan de IJssel. Het heeft geen enkele luxe, in de roef is het 1920. Tientallen meters lopen is de hut voor de dekknecht. Die knapt de jongen op als zijn moeder, die in Spanje woont, voor het eerst bij hem komt logeren. Hij schildert de wanden wit, hangt een fris gordijntje voor het raam, plaatst een bed met twee nachtkastjes. In het ene legt hij een bijbel, in het andere een geladen revolver. Zijn moeder kijkt daar niet van op, in Spanje heeft zij ook een revolver in haar slaapkamer. In Kentucky en Montana leven duizenden mensen in spiedende achterdocht en haat tegen de staat, maar in Zutphen ken ik er maar een.

A.L. Snijders, Bordeaux met ijs

 

 

-Glas-schrift. Tot een Waart, te Zutphen:

Als ’t gelt verzoopen is, uit los en lichten aart,

    Als ’t opgevreeten en geen eene brok verspaart is,

En als den slemper geen een Hollands oortjen waart is,

    Dan wort hy evenwel op’t allerleste, Waart.

Hieronymus Sweerts, Koddige en ernstige opschriften, op luyffens, wagens, glazen, uithangborden en andere taferelen. Van langerhand by een gezamelt en uitgeschreven, door een liefhebber der zelve

 

 

-Op een Bord tot Zutphen:

Gelyk een goet Meloen zeer qualik is tevinden,

Zo gaat het hedensdaags in ’t kiezen van de vrinden,

Van vyftig qualik een, daar mangelt dit en dat:

Een zelden trouwen vriend, of daar schort altyd wat.

Hieronymus Sweerts, Koddige en ernstige opschriften, op luyffens, wagens, glazen, uithangborden en andere taferelen. Van langerhand by een gezamelt en uitgeschreven, door een liefhebber der zelve

 

 

-De binnengetredene, de theologiae studiosus Hendrik Rudolf Marx, een rijzig jongeling, met een schrander gelaat en een ironiesch lachjen om de lippen zag minachtend op hen neêr.

‘Zijn jelui toch geen ellendige lafbekken?’ zeide hij. ‘Durven zulke wezens…. Knielen!’ viel hij zichzelven heftig in de rede, toen éen der vijf wilde opstaan.

De ongelukkige gehoorzaamde.

‘Durven zulke lammelingen, zulke oude wijven het in hun hoofd halen…. heb jij ooit zoo iets gezien, Reef?’

‘Reef’ schudd’e ongeduldig het hoofd.

– Tweehonderd – twintig – veertig – zestig – zieje? – zeide hij tot den oppasser. – Bij van Zutphen, begrepen…. over Dannenfelser, en donder nou als de weêrlicht op.

C. Terburch, Willem Norél

 

 

-In mijn pleidooi voor den arbeider Derksen, te Zutphen, wederom naar aanleiding van het lastig vallen van onderkruipers, zeide ik o.a.: ‘En wanneer politie en justitie dan tegen de georganiseerde arbeiders optreden, moeten zij niet denken het zedelijk recht aan hun zijde te hebben. Neen, het zedelijk recht is aan den kant der werkstakers. De justitie wordt hier uitgenoodigd den oppermachtigen kapitalist in zijn stelsel van uitbuiting te helpen tegen de verongelijkte werkers door wier arbeid de kapitalist rijk is geworden. De wetten, door de kapitalistenklasse gemaakt, heeft zij te handhaven.’ Dergelijke beschouwingen konden den aangeklaagde meestal niet helpen, maar zij gaven aan de processen een groote propagandistische waarde.

Pieter Jelles Troelstra, Gedenkschriften. Deel II. Groei

 

 

-Een van de meest intrigerende ervaringen tijdens onze taalkundige bezigheden van het afgelopen anderhalve decennium is dat onder de klankverschijnselen klemtoon bij een groot publiek tot de verbeelding spreekt. Internationaal gezien is het al zeker vijftig jaar een van de meest vooraanstaande onderzoeksgebieden in zowel de fonetiek als de fonologie, op congressen trekken lezingen over klemtoon opvallend veel aandacht van specialisten net zo goed als niet-specialisten, studenten vinden het een leuk onderwerp voor werkgroepen en scripties, en leken blijken het bijzonder op prijs te stellen als je hen kunt vertellen waar in een gegeven woord nu eigenlijk de klemtoon ‘hoort’ te liggen. We hebben (zoals iedereen) de middelbare schoolleraar meegemaakt die door de klas brulde dat Jansen ‘op de klemtónen’ moest letten. We zijn in een radioprogramma van de Wereldomroep geweest om op verzoek van een enigszins boze heer Bos uit Senegal uit te leggen waarom de klemtonen van werkgelégenheid en kinderbíjslag zo gek nog niet zijn, om een aantal jaren later een ingezonden brief in de Volkskrant te zien van meneer Jansen uit Zutphen die zich ‘gruwelijk ergert aan de verkeerde klemtoon bij de uitspraak van Nederlandse woorden’, en werkgelégenheid als voorbeeld noemt.

Mieke Trommelen en Wim Zonneveld, Klemtoon en metrische fonologie

 

 

-Het was op een avond in het voorjaar van 1642, dat twee vreemdelingen door de straten van Zutphen zwierven. Ze kwamen aan de oever van de IJssel en keken naar het kleurenspel dat de laagstaande zon in de wolken toverde. Er stond een stevige westenwind die hun in het gezicht blies, en die de schuimkopjes van het water tegen de beschoeiing opjoeg.

De twee mannen bleven niet lang naar het mooie uitzicht kijken, want door de koude wind kregen ze tranen in hun ogen. Bovendien hadden ze wel wat anders te doen dan naar een zonsondergang kijken. Ze wilden een bezoek aan de stadsuurwerkmaker, Jurriaan Sprakel, brengen.

Ze keerden het water, de zon en de wind de rug toe en liepen de stad weer in. Vol belangstelling keken ze naar een paar torens die zich hoog boven de huizen verhieven.

Erik Uyldert, Het geheim van de Hemony’s

 

 

-Kin it wêze dat mem ek in eachje op de flamboyante, mar folle jongere Jan Vermeulen hie? ‘Ik denk het wel en ik wist best dat hij meer vrouwen had, mar ik hield nu eenmaal van die man.’ En dus reizgje se him nei. Heit, doe baas fan it stasjon yn Zutphen, ferbriek it kontakt. Earst yn de hjerst fan 1945 liet er wer fan him hearre. Hy stjoerde har in boek, Stiefmoeder Aarde fan Theun de Vries. En mei styfmem Hiltsje kaam it yn dat euforise tiidrek fan nei de befrijing ek wer goed. ‘Ik heb haar nog geld gestuurd, want ze had maar 65 gulden pensioen per maand en wy hadden het toen in Ruslând veel beter.’

Rink van der Velde, Sa wie ’t sawat

 

 

-Haar zoon Hans is over uit Groningen. Liesbeth, haar jongste spruit, heeft tijdens het eten gevraagd of Riek vanmiddag even mee de stad in gaat. Ze wil graag een nieuwe trui. Het is volop opruiming. Daar moeten moeder en dochter van profiteren. Hoe vreemd het ook klinkt, Riek moet zuinig zijn. Sinds een paar weken is ze bijstandsmoeder. Ze was de vrouw van een bekend accountant in Zutphen.

Jarenlang heeft ze gewoond aan de Koninginnegracht, tegenover de prachtige Groote Gracht. Een grote stadsvijver die in verbinding staat met de oude gracht en is afgezoomd met enkele forse treurwilgen. Vanuit haar woonkamer had ze een schitterend uitzicht over de vijver en enkele van de torens waar Zutphen zo rijk aan is. Welk jaargetij zich ook aandiende, Riek genoot altijd van de zon over het water, de vogels, de eenden en de steeds wisselende schakering van kleuren.

Gerry Velema-Drent, Geen ander voor jou

 

 

Gelijck d’ervarenheyd beschrijft den Russen beer,

    Die, siende te gemoet het strenge winterweer,

Niet sloft, maer van den nood een schrander overweger,

    By tyde voorraed sleept van honigh in sijn leger:

Soo mede op ’t overlegh des Princen nimmer moe,

    Voert Zutphen dagh aen dagh hem allen nooddruft toe:

Het isser drock, de baen die roockt van wagenwielen:

    Dus sietmen in den herbst vernuftle mieren krielen,

Die ’t versch geplondert graen opleggen onder ’t dack:

    Men schroomt hier wind nocht weer, nocht regens ongemack,

Die heele dagen druypt, en ’t spoor verdrenckt door ’t lecken,

    En ’t hygend ros ten buyck in’t slick verbied te trecken.

De ruyters mylen verre in’t ronde maeyen ’t voêr,

    En segenen hun paerd door ‘tvloecken van den boer.

Waer dolheyds lemmer blinckt, daer moet ’t ploegyser roesten

    De landman bout en saeyt, de krygslie komen ’t oesten.

Joost van den Vondel, Verovering van Grol

 

 

Hun kussen dan, klonken als wijde sprongen,

door lange witte vrouwen flink gedaan,

en soms als Morse, door een mondje meel gezongen,

of natte voetjes die naar Zutphen gaan.

Leo Vroman, Twee gedichten, ‘Ballade’

 

 

-19/29 maij woensdach iss S.H. om acht uir van Swol gevaeren en om 12 uir te Deventer gekomen, wedrom wel getracteert geweest en ontfangen, om de stadt gereden, om drie uir van Deventer gevaeren en te ses uir te Zutphen gekomen, alwaer S.H. niet verwacht wierdt voor donderdach, doch de heeren die quaemen alle collegeswijse bij S.H.; hij sach de troupes marcheren, adt des avontz niet, had groote pijn in ’t hooft van de deboche en niet gespeult te hebben.

Willem Frederik, Gloria parendi. Dagboeken van Willem Frederik, stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe, 19/29 mei 1647

 

 

-François en ik zijn tegenwoordig aan ’t schieten met Flaubert buks – hij schiet heel goed – beter dan ik. Beb, je moet zien al die wapens hangen boven m’n hoofd boven de hoek bank – al die oude dingen uit m’n jongenstijd – ’t staat wezenlijk heel aardig.

Beb, nu ben je al tusschen Vorden en Zutphen. – Beb, je zit toch niet in ’n dames coupé – zeker in ’n niet-rooken, alleen met z’n drieën, – en je reist niet met ons bekend dik conducteurtje, – die gaat ’s avonds pas terug. – Mijn lieve Beb, mijn lieveling tot morgen, tot morgen mijn Beb? – Nu ga ’k even uit voór de koffie en dan komt Fransje. Dag mijn lieveling, dag mijn Beb, – krijg ’k nog ’n briefje mijn Bebpy? – Zeker te druk gehad met pakken?

Dag Bebpy – tot morgen – dan komt Beb bij haar eigen jongen, – Bebpy

jouw

Pim, dag.

Willem Witsen aan Elizabeth van Vloten, 28 augustus 1891

 

Website van Hans Heesen, gemaakt door Noël Heesen